Twee steden op één kussen

Morgen spelen Ajax en Feyenoord tegen elkaar. Rotterdammers cultiveren graag hun underdogpositie. Maar voor de liefde zetten ze alles opzij.

Foto’s Mieke Meesen

In Rotterdam krijg je in de snackbar te horen dat er géén Van Dobben-kroketten zijn, want „dat is Amsterdams”. Een campagnebord op de Coolsingel voor de domeinnaam .amsterdam veroorzaakt massaal hoongelach. En bijna duizend mensen ondertekenden een petitie tegen de naam ‘Ajaxstraat’.

Ook in Amsterdam leeft de aversie tegen ‘010’. Er zijn verhalen van André Hazesfans die een concert in Ahoy weigerden te bezoeken. Maar dat er even ‘rdam centraal’ op het station van Amsterdam stond, vonden ze voornamelijk in Rotterdam vermakelijk. De strijd tussen Amsterdam en Rotterdam is vooral in Rotterdam voelbaar.

Waar komt dat Rotterdamse ‘underdoggevoel’ vandaan? De rivaliteit tussen Amsterdam en Rotterdam bestaat al sinds de 17de eeuw, zegt Paul van de Laar, hoogleraar geschiedenis aan de Erasmus Universiteit en directeur van Museum Rotterdam. De oorsprong is economisch. Na de val van Antwerpen in 1585 werd Amsterdam de eerste handelsstad. Dat gaf de nieuwe nummer twee hoop: waarom zou zo’n verschuiving niet nog eens kunnen plaatsvinden?

Dat gebeurde niet. Amsterdam bleef het financiële centrum. Maar Rotterdam groeide, de maakindustrie bloeide. De Nieuwe Waterweg werd eind 19de eeuw aangelegd. Na het bombardement op 14 mei 1940 werd er gebouwd en gebouwd. Rotterdam werd de grootste havenstad ter wereld. Feyenoord haalde de halve finale van de Europacup. Als eerste stad in Nederland kreeg Rotterdam een metrolijn. Er gloorde perspectief.

Maar het liep anders. De maakindustrie implodeerde. Machines namen het werk in de haven over; weg banen voor laagopgeleiden. Amsterdam, de stad met een hoger besteedbaar inkomen, meer één- en tweepersoonshuishoudens en meer hoogopgeleiden, wist de slag naar een diensteneconomie te maken. Rotterdam worstelt daar nog altijd mee, zegt socioloog Marguerite van den Berg, die haar proefschrift over Rotterdam schreef.

De rivaliteit werd ondertussen versterkt door de stadsbesturen zelf. Altijd de strijd om meer overheidsgeld. Krijgt Rotterdam de Nieuwe Waterweg? Dan Amsterdam het Noordzeekanaal. Toen koningin Juliana in 1958 het startsein gaf voor de aanleg van Europoort werd het moddergooien, zegt historicus Van de Laar. Door burgemeesters Van Hall (020, uit nijd) en Van Walsum (010, uit borstklopperij).

En nu is het andersom: Rotterdam baalt dat Amsterdam meer geld krijgt. Begin deze eeuw riepen bestuurders uit strategisch oogpunt te pas en te onpas dat het in Rotterdam zo slecht ging, zegt Van den Berg. „Dat voedde het calimerocomplex van Rotterdam.”

Het underdoggevoel komt ook wel een beetje door de arrogantie van de macht, denkt de Rotterdamse socioloog Jan Rath. „Amsterdam heeft toch een beetje een houding van: je hebt Amsterdam en de provincie, en dat zijn allemaal sukkels.” Maar dat Het Parool onlangs schreef dat Rotterdam ‘hot’ is („meer Amsterdammers verhuizen naar Rotterdam”) roept in Rotterdam irritatie op.

Dat is de dubbelzinnigheid van het Rotterdamse calimerocomplex. Enerzijds is er de pijn, dat het altijd maar gaat over die andere stad. Anderzijds is er die nuchtere houding: blijf toch lekker weg allemaal, laat ons vooral de tweede stad blijven. Het is namelijk best lekker, de underdog zijn.