Tom Jones: ‘Er zit weer vuur in mijn muziek’

Na zalen vol gillende vrouwen die hem slipjes toewierpen is Tom Jones blij dat er eindelijk weer naar zijn muziek wordt geluisterd. In een boek over zijn leven vertelt hij over toppen en diepe dalen. „Een beetje herrie schoppen, daarvoor ben je nooit te oud.”

Als een oude koffer die op zolder is blijven staan en waarvan je niet meer precies wist wat er ook alweer in zat. Zo beschouwt Tom Jones de muziek van zijn album Long Lost Suitcase, gevuld met rauwe en pure rootsmuziek. „Zie je de hoop die uit mijn ogen straalt?” De zanger wijst op de hoesfoto van zijn 23-jarige zelf. „Mijn carrière moest nog beginnen. Twee jaar later had ik een hit met It’s Not Unusual en was mijn leven veranderd in een gekkenhuis. Hier ben ik, 75 jaar en still going strong. Een goed moment om alles nog eens op een rijtje te zetten.”

Sir Tom Jones (75) was dinsdag in het Amstelhotel om In Nederland toelichting te geven op zijn nieuwe album en zijn eveneens nieuwe autobiografie Over The Top and Back. Long Lost Suitcase is de derde plaat in een trilogie die hij maakte met producer Ethan Johns, na de albums Praise & Blame en Spirit In The Room. De laatste vijf jaar legt Tom Jones zich toe op zijn levenslange liefde voor Amerikaanse rootsmuziek; de blues en gospel die hij als mijnwerkerskind in Zuid-Wales uit de radio hoorde komen.

„In Wales had je geweldige zangkoren. In de kerk werd prachtig gezongen; ernstig en uit volle borst. Maar de gospel die je daar hoorde was iets heel anders dan het Amerikaanse origineel waarvoor ik met rode oortjes bij de radio zat. Mahalia Jackson met The Old Rugged Cross opende een wereld voor mij. De blues van Big Bill Broonzy deed me achterover slaan. Die muziek is altijd bij me gebleven.”

De renaissance van Tom Jones als een intiem blueszanger die de kitschmuziek en de grote orkesten van Las Vegas achter zich heeft gelaten, wordt hier en daar vergeleken met de American Recordings die Johnny Cash in de herfst van zijn leven maakte. Dat mag, zegt Jones, maar er is één groot verschil: „Johnny Cash was duidelijk aan het eind van zijn krachten toen hij die opnamen maakte. Zijn stem was zwak en er klonk berusting uit zijn muziek. Ikzelf ben nog lang niet klaar nu ik het nieuwe vuur in mijn muziek heb gevonden. Voor het eerst sinds mijn beginjaren zing ik mijn plaatopnamen weer live in, omringd door een klein groepje uiterst gemotiveerde muzikanten.”

In de jaren tachtig, toen het succes tanende was, ging Tom Jones mentaal door diepe dalen. Nu is hij terug, met de toepasselijke boektitel Over The Top and Back. Daarin schrijft hij (met ghostwriter Giles Smith) over zijn muzikale avonturen, zijn vriendschap met Elvis Presley, zijn weerstand tegen collega-popsterren die zich te buiten gingen aan cocaïne en marihuana („ik vond het gewoon vies”) en de onverwoestbare liefde voor zijn vrouw Lisa, de jeugdvriendin met wie hij nu al 58 jaar getrouwd is. Opvallend afwezig zijn bekentenissen over de amoureuze avonturen die hij in de loop der jaren had; een onderwerp dat wordt weggewimpeld met de opmerking dat er nu eenmaal veel verleidingen zijn voor een muzikant op tournee.

Een apart hoofdstuk is gewijd aan het feit dat ‘Sex God’ Tom Jones in de loop der jaren honderden slipjes naar zich toe gegooid kreeg, nadat hij op een avond in 1969 het zweet van zijn voorhoofd had gewist met het broekje dat de dame in kwestie kort daarvoor nog aan had. „Die eerste keer was dat een bijzonder eervolle en intieme geste”, vertelt hij met een knipoog. „Heel sexy ook.” Maar dan, meewarig: „Het werd een plaag toen de dames extra ondergoed van huis meenamen en ik op het podium moest uitkijken dat ik niet struikelde over de stapels lingerie. Ik ben blij dat het publiek nu weer gewoon komt om mijn muziek te horen.”

De songs op Long Lost Suitcase vormen de soundtrack bij zijn levensverhaal, zegt Tom Jones over de denkbeeldige koffer die naast blues en gospel ook nummers van de Rolling Stones en van countryzangeres Gillian Welch bevat. „Haar Elvis Presley Blues kan ik niet zingen zonder te denken aan al die keren dat Elvis en ik ergens backstage aan de piano gingen zitten en alle liedjes zongen die ons te binnen schoten.

„In de studio werk ik tegenwoordig op een vergelijkbare manier. De muzikanten verzamelen zich en iemand begint te spelen. Er is altijd wel een associatie met een nummer dat zich ergens in de herinnering heeft verstopt. Mijn concerten zijn veel boeiender geworden, nu ik mezelf toestemming heb gegeven om songs als Delilah en Sex Bomb in een cajun- of een jazzarrangement te spelen. De overeenkomst met vroeger is dat er altijd een moment komt waarop ik mijn stem moet verheffen. Een beetje herrie schoppen, daarvoor ben je nooit te oud.”