Overvoerd met kookboeken

Er worden sneller kookboeken geschreven dan God kan eten. In deze overvloed vallen de eetschrijvers Ronald Giphart en Louis Paul Boon op.

De prijs voor het meest angstaanjagende persbericht van het jaar gaat naar de Stichting CPNB, die meldt: ‘In 2010 werden er 6877 verschillende kookboekentitels in de boekwinkel verkocht. In 2014 waren dat er 9088.’ Negenduizend verschillende kookboeken! Dat zijn zowat een miljoen recepten! Wij schrijven sneller kookboeken dan God kan eten, zoveel is zeker. Ik weet dat dankzij de Week van het Kookboek, die enkele jaren geleden de laatste loze periode in de Boekenevenementenkalender innam, waardoor we nog steeds geen Scheurkalenderzesdaagse of Nationale Debuutminuut (wat goed is komt snel) hebben. Maar goed, niet doorgesudderd. In de Week van het Kookboek wordt ook het Gouden Kookboek toegekend, waarbij twee (van drie) genomineerden de gespleten staat van Nederland weergeven. De nomadische keuken van Raïnaraï tegen Liever lokaal.

Boeiender zijn de literaire eetboeken: deze week verschenen er twee. Het eetvriendelijkst is Vurrukkulluk. 101 beproefde recepten voor het moderne gezin van Ronald Giphart en Mascha Lammes, een kraakhelder gezinskookboek waarin de auteur van Harem en Troost zich ontpopt als een echte spekkoker. Zeker als je, zoals ik, vindt dat half om half gehakt ook een soort spek is. Geweldig is deze receptbeschrijving van de achtjarige zoon van de schrijver: ‘Koolblad met erin gehakt. Dat maak je van varken of koe en koolbladeren. Je maakt van de koe of het varken een bal. En die leg je in de pan. Maar daar voor moet je de koolbladeren om de bal wikkelen. En dan leg je ze in de pan. En dan heb je een heel lekker geregt.’

Flodderig

Een echt spekkie voor het bekkie (sorry) is de herdruk van het 43 jaar oude Eten op zijn Vlaams van Louis Paul Boon. Boon is ook niet in zijn eerste stukje spek gestikt (hier lonkt een proefschrift De smaak van de spek. Culinaria en poëtica in de Nederlandse letteren), zo blijkt onder meer uit wat hij over spruitjes schrijft: na het koken nog even stoven met spek of ander vet. Eetgewoonten en rolpatronen zijn een tikje verouderd, maar Boon blijft een schrijver van wie je nooit genoeg krijgt. We blijven even bij de spruitjes. ‘Schaf u geen te dikke, te losse of flodderige spruitjes aan. Ze moeten jong zijn, niet te groot en vast van vorm [Boon schrijft altijd óók een beetje over mooie meisjes]. Met het aardappelmesje het harde kantje ervan wegsnijden, en misschien ook nog even het buitenste blaadje verwijderen. Doch dit alleen maar als het hoogstnodig blijkt.’ Even verder: ‘Sommige huisvrouwtjes [de tweede feministische golf had Eerembodegem nog niet bereikt] hebben iets tegen spruiten, omdat die een geur in huis nalaten, zoals ze zeggen. Nu ja, maar je kookt toch niet in je slaapkamer, nietwaar? Je kookt in de keuken en zet het tochtraampje open.’ Er zou een waarschuwingssticker op dit boek moeten zitten: wie dit leest tijdens het koken laat alles aanbranden.