Ooit waren we allemaal zwart

Hij werkt al jaren aan een film over Sinterklaasrituelen. Nu is de film té urgent, niemand wil hem uitzenden.

Arnold-Jan Scheer in zijn houten huisje in Noord-Holland. Ook aan Zwarte Piet ligt religie ten grondslag, zegt hij. Foto Merlijn Doomernik

Als de film is afgelopen en Arnold-Jan Scheer zijn computer uitzet, resteert één vraag: ziet hij nou wel of niet ‘slaafse’ kenmerken van Zwarte Piet bij het Nederlandse Sinterklaasfeest?

De 68-jarige journalist (lange tijd werkend voor Nieuwe Revu en de NCRV) nam meer dan dertig jaar geleden voor het eerst de camera op om het Sinterklaasritueel vast te leggen. De oudste opnamen in zijn film dateren van november 1984, als de goedheiligman aankomt in Amsterdam. Sindsdien reisde Scheer telkens rond 5 december naar plekken in Europa waar soortgelijke rituelen bestaan; mensen die zich verkleden als demon, dier of boom, begeleid door een bisschop, soms ook door een engel. Het zijn rituelen waarbij roet en as, straf en beloning, seks en geweld steeds een rol spelen.

Hij vond tientallen van deze winterse zonnewendefeesten, van de Waddeneilanden tot Macedonië – „altijd op geïsoleerde plaatsen; op eilanden, in dalen tussen steile bergflanken”. Soms staat de ‘Sinterklaas’ bij het feest extatisch vechtende demonen aan te moedigen, soms komt hij geschrokken kinderen in de huiskamer tot bedaren brengen met snoepgoed, noten of fruit. Scheer deed er verslag van in het boek Zwarte Sinterklazen (2014) en in een documentaire die hij maakte met Roy Dames, regisseur van onder meer Mocros. Maar Wild Geraas, in grote lijnen gereed in 2011 en aangeboden aan verschillende omroepen, is nog altijd niet vertoond.

Ik ben eigenlijk van de magie

We zitten in zijn atelier, een rustiek houten huisje in Noord-Holland. Scheer zegt: „Ik ben ook theatermaker.” Overbodige informatie; de houten ruimte staat vol rekwisieten. „Ik ben eigenlijk van de magie”, zegt Scheer. „Of van het prehistorisch sjamanisme – een reis naar de wereld van de voorouders.”

Het zijn manieren om zijn interesse voor Sinterklaas een bredere en diepere lading te geven. Scheer verbindt steeds zijn ervaringen en gevoelens met wat hij ziet en hoort op die afgelegen plekken, tussen de demonen, de bosgoden en de heidense bisschoppen. De gedaanteverwisseling en de extase die daarop volgt, drijven mensen tot daden die ze in het dagelijks leven niet zouden aandurven.

De oordelen waarmee verschillende omroepen de film tot nog toe afwezen, kan Scheer zo opsommen: niet urgent – dat was in 2011, voordat Quinsy Gario en Jerry Afriyie bij de Sinterklaasintocht in Dordrecht hardhandig werden gearresteerd om het simpele feit dat ze een T-shirt droegen met het opschrift ‘Zwarte Piet is racisme’. Of: we hebben al een film over Zwarte Piet – dat was in 2014, toen Sunny Bergmans Zwart als roet werd uitgezonden. „Die film gaat niet over Zwarte Piet, maar over racisme”, moppert Scheer. Of: te antropologisch. Dat is de film onmiskenbaar. De rituelen zijn oude folklore, waar mensen zich met hartverwarmende ernst aan overgeven. In die zin past deze film goed bij het werk dat Scheer voor de NCRV deed, voor de programma’s Showroom en Paradijsvogels. Daarin portretteerde hij een man die de haargroeihelm uitvond, een prins der druïden, een seksapostel (die Scheer blijkens een foto naakt interviewde).

Met Wild geraas is Scheer midden in een hevige maatschappelijke discussie terechtgekomen. Je zou kunnen zeggen dat zijn film na 2011 té urgent is geworden. Hoewel die zijn oorsprong vindt in de jaren dat witte Nederlanders niet nadachten over de associatie van donkere schmink met de zwarte huid van slaven, valt de vraag niet meer te vermijden.

In de Volkskrant schreef Scheer: „Zwarte Piet is nooit een slaaf geweest”. Kern van zijn betoog: de winterfolklore van Sinterklaas en Zwarte Piet is ouder dan de variant die Jan Schenkman rond 1850 vastlegde in een kinderboek, ouder ook dan de Nederlandse slavenhandel. Daarom kán Zwarte Piet geen slaaf zijn, vindt Scheer, daarom kán hij ook geen racistische stereotypen uitdragen, zoals de rechtbank vorig jaar oordeelde.

Het heeft hem tot mikpunt van antiPietactivisten gemaakt. In de Volkskrant schreef Asha ten Broeke vorige week een stuk over white privilege, de comfortabele positie waarin witte mensen zich overal ter wereld als vanzelfsprekend bevinden en waar mensen van alle andere huidskleuren last van hebben. „Sommige mensen ontkenden dat Piet iets met ras of racisme te maken had – weggevertjes als de donkerbruine schmink, de afropruik rode lippen en gouden oorringen ten spijt.” En dan haalt ze Scheer aan: „Piet is geen afro, geen creool, geen negerpage, geen etnisch equatoriale Afrikaan, geen Moor en geen slaaf of zelfs geen knecht van Sinterklaas.”

In zijn film toont Scheer een paar confrontaties met activisten. Sommige zijn heel redelijk, zoals Perez Jong Loy, aan wie Scheer voorhoudt dat Mandela’s Xhosa-stam in Afrika en creolen hun gezicht bij bepaalde rituelen wit maken met lichte klei. Het gaat immers om de gedaanteverwisseling: een wit iemand maakt zich zwart, een zwart iemand maakt zich met meel of klei wit. Jong Loy vond het een heel verschil: „Dat doen we niet om jullie belachelijk te maken. Het gaat om echt diep religieuze handelingen” Ook aan Zwarte Piet ligt religie ten grondslag, zegt Scheer, refererend aan de heidense feesten. „Nee, nee, nee meneer”, zegt Jong Loy. Andere activisten maken Scheer uit voor geschiedvervalser en leugenaar.

Dat ‘jullie’ waarmee de activisten hem wegzetten, zit Scheer dwars. „Ik betoog dat we meer gemeen hebben. Ik geloof in de evolutieleer. Ik geloof dat eens alle mensen op aarde zwart waren. Toen ik in Suriname meedeed aan een Wintiritueel – de andere Nederlanders vonden dat ongepast van mij – voelde ik me zo verwant.”

Hij is jaren „racist” geweest, zegt hij, want hij heeft jarenlang Zwarte Piet gespeeld. „Ik voelde me geen Surinamer, ik voelde me niet zwart. Ik voelde me een held.”

Maar toch: zelfs als de traditie van Zwarte Piet teruggaat tot op een eeuwenoud, voor-christelijk ritueel, moet je dan niet vaststellen dat de Zwarte Piet die nu voor 5 december door Nederland danst er eerder uitziet als een zwarte slaaf dan als een heidense demon? „Ja”, zegt Arnold-Jan Scheer, „en ik kan me wel voorstellen dat zwarte mensen daar aanstoot aan nemen.”