Niet altijd groei als meer geld naar onderzoek gaat

Investeringen in onderzoek dragen niet zonder meer bij aan groei op lange termijn, concludeert het CPB

Reageerbuisje in 'droog ijs', in farmaceutisch laboratorium. Foto Photographer: Scott Eisen/Bloomberg

Overheidsinvesteringen in wetenschappelijk onderzoek dragen niet zonder meer bij aan de lange termijn economische groei van een land. Dat concludeert het Centraal Planbureau (CPB) in een vandaag verschenen notitie

Het Haagse bureau heeft voor 22 ontwikkelde landen de economische groei in de periode 1963-2011 geanalyseerd. Vervolgens is geschat in hoeverre die groei samenhangt met publieke investeringen in onderzoek en ontwikkeling (research & development, r&d). Daarbij heeft het CPB gebruik gemaakt van de „meest gangbare” macro-economische modellen, zegt plaatsvervangend directeur Bas ter Weel. Een eenduidig antwoord komt er volgens hem niet uitrollen. Van de drie geteste modellen geven er twee geen positief of significant rendement van die investeringen. Het is in lijn met eerdere studies, die wisselende resultaten geven.

De notitie is een antwoord op de kritiek die het CPB twee jaar geleden vanuit de wetenschap kreeg. Bij doorrekening van partijpolitieke begrotingen werden publieke investeringen in r&d steeds opgevoerd als kostenpost. Eventuele lange termijn opbrengsten hield het CPB buiten beschouwing. Mede daardoor zou het kabinet Rutte-I in 2010 hebben besloten de investeringen in r&d terug te schroeven.

Het enige macro-economische model waarbij publieke investeringen in r&d wel een positief effect hebben op de lange termijn economische groei, neemt naast kapitaal, arbeid en private r&d nog een reeks extra variabelen mee. Voorbeelden zijn de import en export van high tech-goederen, en buitenlandse directe investeringen. Dit model gaat ervan uit dat elk land zijn eigen specifieke systeem heeft voor de productie van kennis en innovatie, met voor dat land typische kenmerken. Nederland scoort dan positief: de overheidsinvesteringen in r&d stimuleren de economische groei. Landen als Duitsland, Oostenrijk en de Verenigde Staten scoren ook in dit model negatief.

Nadeel van dit macro-economisch model, licht Ter Weel toe, is dat niet alle landen die extra cijfers beschikbaar hebben. IJsland, Griekenland en Nieuw-Zeeland vielen hierdoor af. Voor de andere 19 landen zijn die cijfers er wel, maar pas vanaf 1980. Ook is de keuze voor de extra variabelen in zekere zin willekeurig – er licht geen theorie aan ten grondslag.

„We hopen deze discussie over de hoogte van overheidsinvesteringen in r&d nu af te sluiten”, zegt Ter Weel. In vervolgstudies wil het CPB zich richten op andere vragen: hoe komt kennis tot stand, wat dragen de mensen die we opleiden bij aan de welvaart in Nederland, wat is de regionale impact van universiteiten?

Los van economische effecten kan onderzoek ook maatschappelijke impact hebben, benadrukt het CPB. Maar dat is nu niet in kaart gebracht.