Waar haalt Michel van der Aa het vandaan?

Componist Michel van der Aa krijgt vandaag de belangrijkste kunstprijs van de Nederlandse staat. Hoe werd hij wie hij is? Een portret in vijf inspiratiebronnen.

1. Bill Viola: Overzichtstentoonstelling Stedelijk Museum (1998)

„Ik kende het werk van videokunstenaar Bill Viola destijds alleen uit boeken. Reasons for knocking at an Empty House bijvoorbeeld, met vroege teksten en schetsen van tussen 1973 tot 1994. Zijn ideeën live te zien, was een ervaring van een totaal andere orde. Pas als je er midden in staat, merk je wat de impact is. Vooral He Weeps For You (1976) trof me – door de combinatie van beeld en geluid. Je ziet een druppel die zich losmaakt van een kraan en dan met een doffe knal op een geluidsmembraan (trommelvel) valt. Maar op de wanden wordt ook het beeld van jezelf als een vervormd alter ego in die druppel gereflecteerd, waardoor je onderdeel wordt van het kunstwerk. Het is dus een ervaring op meer niveaus, en ik heb er heel lang naar staan kijken.

„Van Bill Viola leerde ik wat videokunst kan zijn: een ruimtelijke, driedimensionale ervaring. Ik componeerde zelf destijds nog maar vijf jaar en realiseerde me dat geluid ook een beeldende kant heeft, en dat muziek niet hoeft te stoppen bij de noten.

„Mag ik ook Tiny Deaths nog noemen? Dat is een videowerk van Viola met beelden van mensen die opdoemen in een duistere ruimte. Dat klinkt ongelooflijk eenvoudig, maar het greep me echt bij de kraag. Ook mijn eigen werken refereren vaak aan een soort tussenwereld die je als droom, nachtmerrie, hiernamaals of wat ook maar kunt opvatten, maar die in elk geval een ander licht werpen op onze ‘werkelijkheid’.

2. J.S. Bach: ‘Qui Tollis’ uit de Hohe Messe

„Wat typeert echt grote kunst? Dat de maker je zo ver naar een bepaalde plek masseert dat je kunt voelen waar het kunstwerk over gaat, maar de bedoeling niet in je gezicht duwt en óók ruimte laat om de laatste passen zelf te maken; er je eigen waarheid in te zoeken en vinden.

„Voor mij is J.S. Bach daarin de ongeslagen meester. Zijn werk bezit een volmaakte balans tussen structuur en poëzie; ratio en gevoel. Te veel gevoel leidt tot pathetische kitsch, te veel ratio tot hermetische, academische muziek. Maar naar Bach kan ik onbeperkt luisteren, juist omdat hij emotioneert én de juiste emotionele afstand bewaart.

„Het Qui Tollis uit de Hohe Messe vind ik bijzonder mooi, maar het ging me hier vooral om bovengenoemd principe. Ik had andere momenten uit werken van Bach kunnen noemen, zoals Das wohltemperierte Klavier, of de aria Erbarme dich uit de Matthäus Passion. Overigens heb ik altijd een voorkeur voor stukken in mineur. Popliedjes in mineur vind ik ook altijd mooier. Die doen me gewoon meer.

3. Charlie Kaufman: alle filmscripts

(o.a. Being John Malkovich, Adaptation, Synecdoche New York, Eternal Sunshine of the Spotless Mind)

„Ook de scripts van Charlie Kaufman spelen een spel met onze perceptie van de werkelijkheid. Synecdoche New York is voor mij een van zijn beste scripts, ik heb lang overwogen er een opera op te baseren omdat het gegeven me zo fascineert: een man die zijn wereld nabouwt en mensen inhuurt om zijn leven na te spelen – wat natuurlijk fout gaat.

„Het willen controleren van een schaduwwereld zit ook in Adaptation, waarin het script ter plekke wordt geschreven. Being John Malkovich is op weer net andere wijze meesterlijk, met als Escheriaanse climax de scène waarin Malkovich in zijn eigen hoofd belandt in een restaurant waar alleen maar Malkovichen zitten, die alle „Malkovich! Malkovich!” roepen (schatert).

„Het is allemaal niet alleen maar gimmick natuurlijk. Er zitten grote thema’s achter. Eenzaamheid, aansluiting vinden bij je omgeving, de maakbaarheid of onmaakbaarheid van het leven, terugkijken versus verder kijken, de onvrede die daarmee samen kan vallen. Controle willen hebben over delen van het brein waar je geen controle over hebt.

„Het liefst zou ik met Kaufman werken aan een nieuwe opera, op een nieuwe tekst. Zijn filmscripts leunen zwaar op de mogelijkheden van het genre film. Muziektheater maken voor een live publiek in een zaal is een fundamenteel ander vertrekpunt, maar het zou goed kunnen dat die beperkingen zijn fantasie juist aanzwengelen. De stroom films uit zijn koker is een beetje gestopt. Misschien heeft hij binnenkort wel tijd.”

4. Radiohead: OK computer (1997)

„Van Radiohead ben ik fan, echt fan. Dat is alleen bij deze band zo. Ik ben een muziek geek, verslind alle genres, klassiek, elektronisch, pop, folk en jazz. En er waren dus ook altijd popplaten die ik grijs draaide. Dit is daarvan de beste – echt: de perfecte popplaat. Dat heeft denk ik met de grondstemming te maken. Het zijn allemaal goed geschreven liedjes met goede hooks, maar er zit ook een soort gruizige reliëflaag overheen, met dank aan gitarist Jonny Greenwood. Zijn grilligheid maakt het allemaal humaan en realistisch. Ik geloof deze muziek.

„Ik beluister Radiohead in eerste instantie om de noten, de sfeer en de productie. Niet om de tekst. Wat ik ook heel erg waardeer is hun grondhouding. Deze plaat was een megasucces, maar daarop werd niet voortgeborduurd. Het volgende album, Kid A, was veel meer geënt op elektronica. Daar verloren ze veel fans mee, maar ze wonnen ook nieuwe. In de output zit dus een rode draad, maar die gaat om de vraag: wat willen we nu maken? En niet om: waarmee zijn we succesvol?

„In mijn meest recente stukken sluimert mijn voorkeur voor pop iets meer door. Elektronica gebruik ik al veel langer als een ontregelende blauwdruk achter het ensemble. Als iets te mooi is, breek ik daar graag met een droge knip op in. Ik ben altijd op zoek naar reliëf, in die zin. De meerwaarde van een slagwerker die achter een orkestklank schuurpapier over een plank aait. Als componist probeer je iets te schrijven waarvan men niet de volgende maat kan voorspellen. Dat onverwachte kun je maken door rare bochten te nemen in melodie en harmonie. Maar je kunt het ook zoeken in de instrumentatie en orkestratie. Dat proces vind ik interessant. Hoe kun je wat toegankelijk en direct is toch een slagschaduw geven? Daarin was Radiohead van bepalende invloed.”

5. DV8: Strange Fish

(Concept, choreografie en regie: Llyod Newson. 1992. Bestaat ook in filmversie)

„Eerst het slechte nieuws: de muziek in deze voorstelling van ‘physical theatre’-gezelschap DV8 is absoluut niet van hetzelfde niveau als het theater en de dans. Sowieso is dit een productie die ik nu niet meer zou boekstaven als Grote Kunst. Het voelt nu gedateerd aan, maar maakte toen grote indruk op me. Als garderobejongen van het Nederlands Dans Theater zag ik in mijn studententijd veel van choreografen die smaakmakend waren, Jirí Kylián bij voorbeeld, en dat waren doorgaans prachtige esthetische, afgewogen voorstellingen. En toen kwam Strange Fish, dat door de genreoverschrijdende aanpak brak met al mijn verwachtingen. Er hing een vrouw te zingen als Christus aan het kruis, er werd gespeeld met de scheidslijn tussen het clowneske en het dramatische en het resultaat schurkte aan tegen kitsch, maar toch was het geheel overtuigend – het dwong respect af.

„Ik heb later in Groot-Brittannië nog een cursus gevolgd bij de artistiek leider van DV8, Lloyd Newson. Onder druk moesten componisten en choreografen daar samen stukjes maken van een paar minuten. Dat was ontzettend leerzaam, omdat Newson je dwong heel zuiver naar je intuïtie te luisteren. Get rid of the water, was zijn mantra. Wat wil je echt zeggen? Nou, zeg dat dan!

Nieuwe uitdrukkingsmiddelen

„Als ik er zo over nadenk, is dat wat Newson, Radiohead, Kaufman en Viola delen: ze gaan over een lijn heen, zoekend naar nieuwe uitdrukkingsmiddelen. Inmiddels zijn die grenzen achterhaald; twintigers en dertigers zetten in hun playlists Bach en Beyonce gewoon naast elkaar. Het voor hun vanzelfsprekende, caleidoscopische dieet van kunstvormen is ook wat ik altijd heb nagestreefd, gewoon omdat ik het zo voelde. Genrevrij denken, maken wat je werk op dat moment nodig heeft. En zo werken dus ook de mensen die ik bewonder: ze delen de openheid die is vereist om de lijntjes tussen de genres gewoon niet te willen zien.”