Vijftig gedichten over het ongemak van samen zijn

‘Wie in deze stad woont hoeft zichzelf nooit te zoeken.’ Hoewel Marieke Rijneveld (1991) in Kalfsvlies lang van stof is, kan ze in haar poëzie met een paar woorden of een enkele metafoor een ‘beeldenstorm’ ontketenen – in dit geval over de bekrompen bevolking van de stad waar ze opgroeide.

De thematiek in Kalfsvlies is divers. In vijftig gedichten komen onder meer verlaten worden en het ongemak van samen zijn aan bod. Ook een moeizame band met ouders en familie die er bepaalde verwachtingen van een dochter op nahouden en een onbevredigende jeugd die tegelijkertijd trekt en afstoot passeren de revue. De auteur geeft deze aloude thema’s in psychologische ontdekkingstochten op een eigenzinnige en frisse manier kleur.

Kijk bijvoorbeeld naar regels als ‘ik hoorde dat thuis geen / plek is maar een welbevinden’. Rijneveld zegt het zelf niet, maar vangt het ook maar op in haar met gaten en hobbels gevulde weg naar wasdom, tussen ‘stiltes die naar kuilgras ruiken’. Vooral in gelijkenissen blinkt ze uit, zoals wanneer iemand ‘weemoed is als een luizenmoeder’ zegt of spijt wordt vergeleken met ‘een lek gestoken vluchtauto’ die je niet vooruit brengt, maar ook niet terug. Tijd staat centraal in Kalfsvlies. Rijneveld blikt terug en vooruit naar vele eindes – en de opluchting, maar vooral de teleurstelling die hiermee gepaard ging. Hoe verlaten worden verdriet oplevert, maar ook een einde maakt aan toneelstukjes die geen van beide partners wil opvoeren.

De gedichten vragen door hun paginabrede versregels en interpunctiearmoede een lange adem. Het handjevol oppervlakkigheden wordt ruim gecompenseerd door de innerlijke verkenningen die het avontuurlijke Kalfsvlies rijk is.