Stop je geroep, Amnesty, en investeer in Chinees recht

Amnesty toetert wel hard, maar doet zelf te weinig om de mensenrechten in China te verbeteren, meent hoogleraar rechten van de mens Tom Zwart.

AMSTERDAM, 22 maart 2014. De Chinese president Xi Jinping tijdens het staatsbanket met koning Willem-Alexander, koningin Maxima en prinses Beatrix in het Paleis op de Dam. Foto Koen van Weel / ANP

Amnesty International riep de koning op om mensenrechten aan de orde te stellen in China. Die oproep is overbodig. Minister Koenders (Buitenlandse Zaken) had al gezegd om mensenrechten tijdens het staatsbezoek ter sprake te brengen door met China als partner de dialoog aan te gaan en het land niet de maat te nemen. Hij wees er in de Tweede Kamer op dat de machtsverhoudingen in de wereld en het imago van mensenrechten veranderd zijn.

Wie aandacht vraagt voor universele mensenrechten moet zorgen dat de boodschap bij de gesprekspartner overkomt. Het is niet de koning maar Koenders die in China de regering vertegenwoordigt.

De campagne van Amnesty is ook contraproductief. Van de koning wordt gevraagd om niet het glas, maar de vinger te heffen en de Chinese gastheren te beleren op het terrein van de mensenrechten. Zo’n houding wordt in China, dat in de 19e eeuw vernederd is door buitenlandse bezettingen, als neokoloniaal ervaren en afgewezen. Het belang van de mensenrechten moet niet ondergeschikt worden gemaakt aan het eigen gevoel van morele superioriteit.

Volgens Amnesty is in China sprake van repressie. Dat doet geen recht aan de voortgang op het terrein van de mensenrechten onder president Xi. De heropvoedingskampen zijn afgeschaft, het aantal doodstrafdelicten neemt af, de rechtsbescherming neemt toe en het Centraal Comité investeert in versterking van de rechtsstaat.

China wordt door de media neergezet als een land waar het slecht met de mensenrechten gaat. Journalisten houden aan dat beeld vast – ook als de feiten dat weerleggen. Volgens de World Value Survey vindt zo’n 24 procent van de Chinezen dat de mensenrechten in hun land zeer goed worden beschermd en nog eens 40 procent vindt die bescherming behoorlijk. Slechts negen procent vindt dat de mensenrechtenbescherming te wensen overlaat en twee procent dat deze geheel ontbreekt. Daarmee hebben de Chinezen veel meer vertrouwen in de mensenrechtensituatie in hun land dan Europeanen in de mensenrechtenbescherming in Europa. Deze cijfers logenstraffen het beeld van onderdrukking dat door Amnesty en de media wordt opgeroepen.

In zijn campagne vraagt Amnesty de koning op te komen voor de rechten van advocaten en activisten die ten onrechte gearresteerd en veroordeeld zouden zijn. Als Amnesty het lot van deze personen zou willen verbeteren, is bemoeienis door een buitenlands staatshoofd niet de oplossing. Het Chinese strafprocesrecht biedt mogelijkheden om een proces te garanderen, zoals uitsluiting van onrechtmatig verkregen bewijs, hoger beroep en revisie in geval van onterechte veroordeling.

Amnesty kan in het gebruik van die rechtsmiddelen investeren door een fonds op te richten waaruit rechtsbijstand kan worden betaald. Zo’n investering draagt meer bij aan de mensenrechtenbescherming dan het betalen van een reclamecampagne.

Op die manier zou Amnesty zich voegen bij een groot aantal Nederlanders die rechtstreeks bijdragen aan de mensenrechten in China.

Zo scheppen Nederlandse bedrijven werkgelegenheid in China door in- en export en door bedrijfsactiviteiten in het land, en realiseren zo sociaal-economische rechten. Nederlandse experts dragen in China bij aan voedselveiligheid en watermanagement en investeren daarmee in het recht op gezondheid en bestaanszekerheid. Met Chinese partners zet ik momenteel een innocence project op, waar slachtoffers van rechterlijke dwaling, net zoals in Nederland, terecht kunnen om hun zaak heropend te krijgen.

Op het terrein van de mensenrechten in China is het glas meer dan half vol. Nu komt het erop aan het tot de rand te vullen. Dat vraagt om actieve betrokkenheid en niet om een afwijzend gebaar.

Tom Zwart is hoogleraar rechten van de mens, Universiteit van Utrecht.