Column

Onze vaders

Mensen zijn vaak jaloers als ik vertel over dit soort projecten. „Dat zou ik ook wel willen”, zeggen ze dan. Toch blijft iedereen thuis. En daar is een reden voor.

Toen ik naar Afrika vertrok dacht ik dat ik aids zou krijgen, toen ik ging lopen naar Marseille, dacht ik dat ik ontvoerd zou worden door Belgische freaks. Maar deze keer ben ik écht bang. Dat de reis tot mijn dood zal leiden.

Ik wilde naar Suriname omdat ik zin had in Jungle Book. Maar hoe verder we komen, hoe meer dit project gaat lijken op Heart of Darkness.

Ten eerste is daar mijn vader, die in alle opzichten een donkere versie is van mijzelf. Doordat hij zich tot het christendom bekeerde, was ik gered van de kwade geesten van onze voorouders. Zei hij. De dag daarna werd ik ziek. Wat bij mij de vraag opriep: ben ik vervloekt?

Ten tweede is daar Suriname. Waar ik net zo weinig over wist als de gemiddelde Nederlander. Dus ging ik op zoek. Naar Surinaamse schrijvers, Surinaamse meesterwerken, iets waardoor ik blij zou worden om (voor de helft) Surinamer te zijn. Ik vond Anton de Kom, van wie het onmogelijk is om niet te houden. In 1934 schreef hij Wij slaven van Suriname. Over de Surinaamse geschiedenis, vanuit het standpunt van de onderdrukten.

WAARSCHUWING: vanwege ruimtegebrek ga ik meteen door met het hoofdstuk ‘slavernij’. Dit las ik: slaven – ‘onze vaders’ zet Anton daar dan achter – die letterlijk opeengestapeld, vastgeketend, over elkaar poepend, plassend en kotsend per schip naar Suriname worden ontvoerd. Een dagje in de zon gezet, ingesmeerd met olie en aangeboden op de markt. Met het haar geschoren in figuurtjes, voor de grap.

Op bladzijde 33: ene mevrouw Mauricius die een oude slavin, die haar hele leven voor haar heeft gezorgd, laat vastbinden en doodslaan. Omdat mevrouw Mauricius zich verveelt. Eens in de tijd laat ze haar slaven 24 uur lang ‘half afschillen of villen’. Want: ‘ik wil niet dat een neger van mij met zoo een glad vel zal rondloopen op mijn plantage’.

De meesters worden nooit gestraft (die drinken en dineren en doen dutjes). De slaven die in opstand komen wel. Die worden opgehangen, onthoofd, de oren en/of de tong afgesneden, ingegraven, vastgebonden aan een paal om langzaam te verrotten. En o, nog zo veel meer.

Natuurlijk wist ik dat de slavernij iets gruwelijks was, maar hoe gruwelijk dat wist ik niet. Omdat me daar nooit iets over is verteld, wilde ik schrijven. Maar misschien klopt dat niet. Ik wist het niet, omdat ik tot nu toe altijd koos om het niet weten. Zoals ik doorscroll als iemand op Facebook een filmpje uit een vleesfabriek post.

In dit geval was doorscrollen geen optie. De slavernij heeft meer dan 200 jaar geduurd. Dit was de grootste schok: de slavernij zegt iets over Suriname, maar toch vooral iets over ons. Of beter: over de donkere kant van het systeem waarin we nog steeds leven. Precies zoals zo’n filmpje uit een vleesfabriek.

Ik kreeg er zin van om de gordijnen dicht te trekken, dit hele project te vergeten en America’s Next Top Model te kijken. Al vond ik vanochtend, op weg naar mijn huisje, tussen alle duisternis toch ook een lichtpuntje: de tram zat vol met nakomelingen van de helden uit Antons boek. Ikzelf was er eentje. Driehonderd jaar lang zijn ze mishandeld, onderdrukt en opgejaagd, en toch leven ze nog (onze vaders).