Column

Onder geamputeerden

Dat mijn moeder het ziekenhuis mocht verlaten zorgde voor opluchting bij sommige van haar medepatiënten. Enig begrip had ik daar wel voor. Ze lag tussen ‘de geamputeerden’ op een afdeling die door sommige bezoekers weinig smaakvol ‘Rwanda’ werd genoemd. Het leek me niet gemakkelijk om na een operatie een onderbeen, een arm of zelfs maar een teen te moeten missen en om dan wakker te worden tegenover mijn moeder.

Mijn moeder die als ze haar gehoorapparaat niet in had, of uit had staan, zo hard sprak en die zich niet zo bewust leek van de mensen om haar heen.

„Eén, twee benen”, telde ze die eerste dagen veel te luid als er bezoek kwam. „En twee voeten, en tien tenen.”

De man zonder onderbeen stak zijn hoofd onder het laken.

Vrijdag kwamen we haar halen.

Ze was een paar keer van kamer gewisseld en lag niet meer tussen mensen zonder benen of tenen, maar tegenover een meneer met het hoofd in het verband en naast Hetty, een vrouw bij wie vier vingers waren geamputeerd. Zij hadden minder last van haar geoefen achter de vijfpoot, van haar ‘links een stapje, rechts aansluiten, nog een stapje, weer een meter!’.

Ze zat op de rand van het bed, de reistas met daarin drie nachtjaponnen, Lieve mama van Esther Verhoef en fotootjes van alle kinderen en kleinkinderen op schoot. Naast haar op het bed, hij hoefde niet in die tas, een foto van mijn vader in een houten lijst. Daar besprak ze nog van alles mee, gesprekken die ze op zaal ook konden volgen.

„We komen je halen.”

- „Even afscheid nemen.”

Ze schuifelde eerst naar de man met het verband om het hoofd van wie ze niet wist of hij nog oren had om mee te horen en daarna naar haar buurvrouw.

„Dag Hetty…”, zei ze tegen de nog slapende vrouw.

„Dag Hetty, slaap je nog?”

- „Nu niet meer.”

„Hoe gaat het? Ik kom je even een hand geven.”

- „Dat gaat niet, die is er af”, zei Hetty en ze stak een verbonden stomp omhoog.

Dat was dan wel weer fijn aan oud worden, dat je het niet altijd in de gaten had als een situatie ongemakkelijk werd.

„Dan doen we maar zo”, zei mijn moeder en ze zwaaide best lang met haar hand naar de vrouw die natuurlijk niet terugzwaaide.

„Daag-daag-daag.”