Je harteloze zelf onder ogen zien

In de derde roman van Wytske Versteeg wordt een plastisch chirurg geconfronteerd met zijn gebrek aan compassie.

Als het tweede boek de zwaarste bevalling is voor een romanschrijver, dan is nummer drie misschien wel gewoon een makkie. Die indruk krijg je in elk geval bij Quarantaine, de sprankelende derde roman van Wytske Versteeg (1983). Haar debuut De wezenlozen werd drie jaar geleden warm onthaald, met Boy – een roman over een jongen die in zee verdwijnt – won ze vorig jaar de BNG Nieuwe Literatuurprijs. Was Boy een boek dat zijn kracht ontleende aan een weloverwogen ernst, in Quarantaine lijkt de schrijfster zich voorgenomen te hebben vooral plezier te maken. Het resultaat is een feest om te lezen.

Niet dat de setting van de roman zorgeloos is: een ebola-achtige ziekte die door aanrakingen wordt overgebracht heeft het grootste deel van de Nederlandse bevolking weggevaagd. Een van de weinige overlevenden, plastisch chirurg Tomas Augustus, zit alleen thuis. Tomas schrijft zijn levensverhaal op, al weet hij dat er niemand zal zijn om zijn tekst te lezen. Zijn jonge vlam is verdwenen, zijn vrouw is dood, al presenteert hij dat laatste als een bevrijding. Die echtgenote Leanne was ‘even opwindend als een lekkende meelzak’. Dik, lelijk en dom dus (maar haar vader was rijk): ‘Ze keek alleen naar wat ik deed, volgde mijn bewegingen vol afkeer, totdat ze zelfs naar zoiets onschuldigs als het pellen van een ei staarde alsof ze er getuige van was dat ik iemand martelde. Ik zal hier niet verhullen dat ik expres lang deed over dat ei, dat ik extra hard smakte en eigeel op het overhemd liet druipen dat ze net gewassen had.’

Zo’n man, zo’n vrouw, zo’n huwelijk.

Soms lijkt Tomas afkomstig uit een roman van Herman Koch: hij beziet de wereld met een harteloosheid die leidt tot een virtuoze mopperstroom die uitgesproken onderhoudend is. Of het nu gaat om de arme Leanne, zijn minachting voor zijn patiënten, zijn weerzin tegen zijn moeder of de illusieloosheid waarmee hij ziet hoe de laatst levende lotgenoten de winkels bestormen voor blikjes bruine bonen.

Verliefd

Tomas is echter méér dan een cabaretnummer, want de onaanraakbare plastisch chirurg blijkt kort voor de grote epidemie toesloeg ineens verliefd te zijn geworden op een meisje dat Maria heet. Ze is ‘objectief gezien’ niet eens mooi, concludeert Tomas’ beroepsoog: ‘de vorm van haar neus al te hoekig en haar kin te wilskrachtig […] Haar borsten waren klein naar elke maatstaf’. Dat alles telt echter niet: Tomas voelt iets wat hij nog nooit heeft gevoeld en vindt haar prachtig. Zij, op haar beurt, laat zich met hem in – waarbij haar motieven enigszins duister blijven: ze voelt wel voor een experiment ‘als commentaar natuurlijk op, je weet wel, gender en zo’.

Daarmee belanden we bij de inhoudelijke kern van Quarantaine. Want de roman mag lezen als een trein, Versteeg heeft wel degelijk iets te melden. Daarbij is in dit boek vol uiterlijkheden van belang dat Augustus geen mooie man is. Integendeel, op zijn elfde is zijn gezicht verbrand: de helft van zijn hoofd is een stugge, gevoelloze en oerlelijke massa littekenweefsel.

En niet alleen fysiek zit hij vol littekens. Zijn harde observaties lieten het al zien: zijn hele leven heeft Augustus zich gepantserd tegen de buitenwereld, wat – zo blijkt in de loop van de roman – je goed als een mentaal litteken kunt zien: er is in de eerste jaren van zijn leven veel misgegaan. Een aantal keer brengt Versteeg haar hoofdpersoon in situaties waarin een normaal mens geraakt zou worden, maar Augustus blijft zijn stoïcijnse, onaantastbare zelf.

Pas door Maria ontdekt hij wat hij daardoor allemaal heeft gemist, maar dan is het al te laat. Hij wil romantische dingen doen, maar komt niet verder dan verleidingsmethoden (rozen, geld) waarvan hij zelf ook wel weet dat het zielloze clichés zijn. Maar ja, hij weet nu eenmaal niet hoe dat moet: contact leggen of liefde voelen.

Rouwende vrouwen

Quarantaine gaat uiteindelijk om de angst voor kwetsbaarheid – en hoe kwetsbaar juist die angst een mens kan maken. Daarmee is het boek zeer verwant aan Boy, waarvan het hele tweede deel gaat over hoe twee om een verdwenen jongen rouwende vrouwen, geleidelijk hun pantser afleggen. Ook bij Tomas Augustus (toen hij als brandwondenslachtoffer zijn ‘nieuwe’ gezicht zag, gooide hij tot driemaal toe de spiegel aan stukken) wordt langzaam duidelijk wat hij zelf niet onder ogen wil zien.

Subtiel laat Versteeg in de laatste tien pagina’s zien hoezeer zijn omgeving zich steeds om deze harteloze man heeft bekommerd – en tussen de regels door lees je ook waarom. Want beschermd werd hij, zoals hij zelf ergens ook wel wist.

Er is natuurlijk best het een en ander aan te merken op Quarantaine – de al te schetsmatige Maria, de redundante walvisaanduidingen van Leanne – maar met haar derde roman bewijst Wytske Versteeg dat ze in compositie, subtiliteit, zeggingskracht en zeker in stijl een van de beste auteurs van haar generatie is. Misschien wel gewoon de beste.