In Hotel Bonbien worden alledaagse kinderproblemen serieus uitgeplozen

Een hotel vlak langs de Autoroute du Soleil, dat is één. Een meisje dat na een val uit een boom vier kaartspellen op volgorde kan onthouden, is twee. Ouders die bij het runnen van hun hotel telkens in gekift uitbarsten – en zo heb je al drie prachtige ingrediënten voor een kinderboek. Die zette Enne Koens bij elkaar in Hotel Bonbien, haar derde kinderboek, waarmee ze zich definitief vestigt als interessante nieuwe stem. Sammie en opa (2013) was dus meer dan een toevalstreffer.

In dat vorige boek, en nu weer, pluist ze een alledaags kinderprobleem serieus uit, in een verhaal dat zich voordoet als vooral leuk en luchtig. Het probleem was toen een zieke opa, nu ruziënde ouders. Niet gezellig, vindt Siri van tien. ‘Waarom doen ze niet gewoon aardig tegen elkaar?’ Ze vreest een scheiding.

Zorgelijk zwaar wordt het niet, want de dagen (en hoofdstukken) in Hotel Bonbien vullen zich wel met veeleisende gasten, gekissebis met een puberbroer, en nog een kampioenschap memoriseren. Alleen richtte Koens haar verhaal niet bijster origineel in: het chaotische hotel doet sterk denken aan Hotel De Grote L van Sjoerd Kuyper, de oplossingsgerichte Siri die tegen de realiteit aanloopt lijkt een meisje van Anna Woltz. En zo’n geheugenkampioenschap kun je ook moeilijk een vondst vinden.

Het is allemaal leuk genoeg, maar Koens moet nog meer eigenheid krijgen om het niveau van een Kuyper of Woltz te evenaren. Dat toont zich ook in technische onhandigheidjes. Sommige verhaallijnen verdienden meer uitwerking, en onnodig vaak laat ze personages ‘verongelijkt’ of ‘verbaasd’ spreken, of hun zinnen uitleggen of uitroepen.

Maar in de kern zit Koens goed, met die ruziënde ouders, die echt niet meteen gaan scheiden. Integendeel, Siri leert iets over de wondere wereld van volwassenen, dat ook haar aangaat: dat je het best kunt vitten op degene die je het meest liefhebt. Al is dat niet gezellig. Van dat soort gelaagdheid willen we wel meer.