Hogepriesteres van rock-‘n’-roll

Bij Patty Smith hielden woede en contemplatie elkaar op een roerende manier in evenwicht.

Jesus died for somebody’s sins but not mine. De openingszin van Patti Smiths debuutalbum Horses is nog net zo provocatief als veertig jaar geleden. In december 1975 stond Smith aan de wieg van de punk met een compromisloos verbond tussen poëzie, rock-‘n’-roll en vrije expressie. De hoesfoto van Robert Mapplethorpe ving de androgyne kracht van een stoere vrouw in mannenoverhemd.

Smith (68) brengt het album nu integraal, met in haar band gitarist Lenny Kay en drummer Jay Dee Daugherty die ook al op het origineel te horen waren. Meer dan bij vergelijkbare classic albumtournees van de betreurde Lou Reed (Berlin) en Van Morrison (Astral Weeks) is Smith erop uit om nieuwe inhoud te geven aan Horses. Al sinds de zomer viert ze de tijdloze zeggingskracht van haar meesterwerk. Zaterdag in het uitverkochte TivoliVredenburg was ze veel beter bij stem dan in juni op het festival Down The Rabbit Hole.

‘Gloria’, haar drastisch herbewerkte cover van ‘Them’, die nooit bedoeld was om een concert mee te beginnen, kreeg een beheerste uitvoering. De gedistingeerd grijze Smith is duidelijk ouder geworden en spreidde haar energie. Voor de lap tekst van het grotendeels gesproken ‘Birdland’ zette ze haar leesbril op, totdat het moment daar was om het spiekbriefje te verfrommelen en voor het eerst los te barsten in een vocale donderbui. ‘Redondo Beach’ en ‘Free Money’ illustreerden nog eens wat een geweldige popsongs ze op haar repertoire heeft.

Hartverwarmend was het moment waarop ze de grammofoonplaat erbij pakte en vertelde dat het tijd was de plaat om te draaien en de denkbeeldige naald opnieuw in de groef te laten zakken. Cd’s waren er nog niet in 1975, laat staan mp3’s. In ‘Land’ werd ze zeldzaam fel en hield ze haar publiek voor dat iedereen zich uit zou moeten spreken tegen misstanden in de wereld. Ze vloekte erbij als een dokwerker. Daarna ontroerde Smith met het indertijd als in memoriam aan Jimi Hendrix bedoelde ‘Elegy’, waarin ze een lange lijst van overleden popsterren en kunstenaars opsomde. Woede en contemplatie hielden elkaar in evenwicht.

In een lange toegift had ze een adempauze bij een ode aan The Velvet Underground door haar bandleden en kreeg ze met ‘People Have the Power’ de vuisten in de lucht. Bij een daverende finale met ‘The Who’s My Generation’ trok ze alle snaren van haar gitaar en verklaarde ze bij een orkaan van feedback dat muziek het machtigste wapen is. Het „hope I die before I get old” uit het origineel is er bij Patti Smith niet bij: „I wanna get old, FUCKING old!” eindigde een verheffend concert van de hogepriesteres van de rock-’n-roll.