Column

Hoe het Westen Libië verklungelde

Vier jaar en een paar dagen geleden werd Moammar Gaddafi uit zijn rioolbuis gesleurd en gelyncht, en was het feest in Libië. Twee weken later kwam het NAVO-luchtoffensief ten einde, en was het feest bij de westerse leiders die de operatie hadden doorgedreven. Libië trad nu toe tot de familie van democratieën! Allemaal onzin, gezien de ongeremde verloedering van het land en zijn omgeving die onmiddellijk begon. Zo’n 2,5 miljoen mensen in Libië hebben nu bescherming nodig, meldden de VN drie weken geleden.

Ik was daarom enigszins verrast dat toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Hillary Clinton althans het Amerikaanse aandeel in de interventie de laatste weken een paar keer toejuichte als „smart power” op zijn best. Obama had de juiste keuze gemaakt, zei ze. Er was „onrust” gevolgd, wegens „de Arabische Lente en een hoop andere factoren”.

Die andere factoren trof ik vorige week aan in het verslag van een hoorzitting in het Britse Lagerhuis over ‘interventie en ineenstorting en toekomstige politieke opties’ in Libië waarin Midden-Oostenexperts George Joffé en Alison Pargeter vragen beantwoordden. Het is 31 bladzijden fascinerende lectuur over verkeerde inschattingen, onwetendheid en naïviteit van de meest betrokken regeringsleiders onder wie premier Cameron.

Vraag: wat begrepen de beleidsmakers van de situatie in Libië? Joffé: „In zekere zin had men het niet nodig gevonden om van nabij te volgen wat er in Libië gebeurde.” Cameron liet zich op sleeptouw nemen door de Franse president Sarkozy, die weer „werd gedreven door Libische ballingen en bondgenoten binnen het Franse intellectuele establishment” – Bernard-Henri Lévy, weet u nog wel, die overigens óók nog steeds achter de oorlog in Libië staat, ook al is een rechtstreekse consequentie dat Frankrijk nu het ontregelde Mali overeind moet houden.

Westerse leiders wantrouwden de onberekenbare Gaddafi, en toen in 2011 zijn regime leek te wankelen dachten de beleidsmakers te kunnen profiteren van de democratische omwenteling die zich léék te voltrekken in de Arabische wereld. „Een erg naïef standpunt,” aldus Joffé, „omdat het een totaal gebrek aan inzicht in het proces van politieke transitie aantoonde.”

Dus was er ook geen enkele nazorg. Wat er na Gaddafi’s val gebeurde, had volgens Joffé kunnen worden voorzien als er enige neiging was geweest om vooruit te denken. „Er was een vreemde aanname dat op de een of andere manier democratie zou opbloeien in Libië wanneer het regime weg was, en daarom hoefden we we er niks aan te doen.”

Tsja. Nu zit Libië met twee regeringen en honderden gewapende milities. De VN proberen een eenheidsregering te smeden, maar zelfs als dat lukt hebben Joffé en Pargeter er geen enkel vertrouwen in. De echte spelers, de gewapende milities aan beide zijden, hebben geen belang bij vrede; denk aan lucratieve criminaliteit. En de burgers? Pargeter en Joffé: „Die zijn er zonder twijfel slechter aan toe.”