Column

Excuses

Tony Blair die excuses maakt voor gemaakte fouten rond de invasie in Irak – dat schept een interessant precedent. Zou het niet geweldig zijn als álle voormalige regeringsleiders voortaan dergelijke excuses zouden aanbieden? En dan graag iets minder halfhartig dan Blair, die zijn woordvoerster na het interview op CNN snel liet verklaren, dat hij geen spijt had van de invasie als zodanig en dat hij bovendien eigenlijk niets nieuws had gezegd: hij had al zo vaak zijn excuses hierover aangeboden.

Het zou nog mooier zijn geweest als allerlei prominente regeringsleiders hier eerder mee begonnen waren. Stel dat Adolf Hitler de oorlog overleefd had door naar Argentinië te ontsnappen. Peter R. de Vries weet hem met hulp van enkele andere twijfelachtige Duitse immigranten in Buenos Aires op te sporen, terwijl hij naar een WK-finale van het Duitse voetbalelftal zit te kijken.

Meteen valt op dat Hitler zijn snorretje heeft afgeschoren ten faveure van zo’n ruig stoppelbaardje, waarmee veel mannen tegenwoordig hun verlangen naar het ongebonden struikroverschap kenbaar maken.

„Hoe kijkt u nu terug op die Tweede Wereldoorlog?” vraagt De Vries hem. „Dat had wel wat minder gekund”, zegt het voormalige staatshoofd binnensmonds. „Hoe bedoelt u?” vraagt De Vries. Hitler wijst enthousiast naar het scherm en jubelt: „Die Mannschaft! Super!” De Vries laat zich niet van de wijs brengen en vraagt door: „Kunt u wat voorbeelden noemen?”

Hitler schokschoudert. Mogelijk is hij enigszins geïrriteerd door het scherpe, nasale stemgeluid van De Vries. „Nou, zes miljoen, dat had nou ook weer niet gehoeven”, zegt hij. „Ik moet toegeven dat ik verkeerde inlichtingen had gekregen van mijn geheime dienst over een soort masterplan, waarmee de Joden de hele wereld wilden overnemen. Zo’n plan bleek achteraf niet te bestaan.”

„Biedt u daarvoor uw excuses aan?” vraagt De Vries gretig. „Als ik jullie daar in Holland een plezier mee doe – natuurlijk”, zegt Hitler. „Maar dat wil nog niet zeggen dat ik ook spijt heb van al die vernietigingskampen. Je moet de criminele elementen kunnen oppakken en ausrotten.”

Jaren eerder brengt Karel van het Reve, toen nog correspondent voor Het Parool in de Sovjet-Unie, een bezoek aan niemand minder dan Jozef Stalin. Die blijkt nog steeds niet dood te zijn, maar onder valse naam voort te leven uit vrees voor represailles door de bevolking.

Karel overhandigt hem zijn boek Het geloof der kameraden en valt op zijn bekende droge, laconieke wijze met de deur in huis: „Hoeveel van uw burgers heeft u laten vermoorden, denkt u zelf – de schattingen lopen uiteen van 9 tot 20 miljoen?”

„Een goede vraag”, bromt Stalin, die in tegenstelling tot Hitler zijn martiale snor wél heeft laten staan, „ik heb het vroeger vaak aan mijn medewerkers gevraagd, maar kreeg nooit een duidelijk antwoord. Daarom houd ik maar het veilige midden aan, zo’n 15 miljoen – nóg een respectabel aantal.”

„En heeft u er ook spijt van gekregen?’’ vraagt Karel. Stalin knikt. „Ik had nooit aan de Goelag moeten beginnen. Dat heeft me door die rare Solzjenitsyn veel te veel verkeerde publiciteit bezorgd.”

Als Karel de datsja verlaat, zegt een medewerker van Stalin tegen hem: „U weet toch dat de heer Stalin al lang geleden zijn excuses voor de Goelag heeft aangeboden? Helaas durfde niemand te luisteren.”

Frits abrahams