Adieu, kenniseconomie?

Nederlandse firma’s besteden steeds meer r&d-geld over de grens. Tijd om alarm te slaan?

Werknemers in een stofvrije ruimte van chipmachinefabrikant ASML. Foto LEX VAN LIESHOUT/ ANP

Fokker failliet, onze luchtvaartindustrie redt het niet. Dat was de vrees twintig jaar geleden toen vliegtuigbouwer Fokker op de fles ging en de overheid niet wilde bijspringen. Fokker was op en top techniek, onmisbaar in industrie, toelevering en onderzoek & ontwikkeling.

Het doemscenario bleek niet te kloppen, zei oud-Fokkermanager Joost van de Griendt onlangs in deze krant. Hij schreef er een boek over, Doorgevlogen, de waarde van ervaring. „De faculteit luchtvaart- en ruimtevaarttechniek in Delft is bijvoorbeeld groter dan destijds”, concludeert hij.

Dus wat moeten we met een recent rapport van het Rathenau Instituut met een alarmistische ondertoon over de toekomst van research & development (r&d) in Nederland? Zijn onderzoek naar nieuwe kennis en technologie en ontwikkeling van nieuwe producten en toepassingen in gevaar? Nederland kenniseconomie, adieu?

Het rapport R&D goes global schetst met concrete cijfers het beeld dat de grote Nederlandse ondernemingen hun uitgaven voor r&d wel continueren, maar dat ze hun groei juist in het buitenland realiseren.

Die grote acht zijn de technologiebedrijven ASML, Philips, NXP en Océ en verder Shell, DSM, Unilever en AkzoNobel. Je ziet hoe sterk Nederland nog altijd leunt op voorheen het conglomeraat Philips. Chipproducent NXP én chipmachinefabrikant ASML waren daar ooit divisies van.

Nederland, let op uw zaak, is de teneur van het rapport van de Rathenau-denktank. Probeer nieuwe bedrijven naar Nederland te krijgen, juist op het gebied van r&d.

Die teneur valt in vruchtbare aarde. Ook in de lijstjes waar land en kabinet trots op zijn, zoals de positie in de top 5 van meest concurrerende economieën, scoort Nederland lager op innovatie (positie 16) en uitgaven van ondernemingen aan r&d (positie 18).

‘Wake-up call voor Nederlands R&D klimaat’ zette werkgeversorganisatie VNO-NCW boven een bericht over het rapport in haar nieuwsoverzicht.

Streefgetal

Of neem het wat kriegelige antwoord van minister Henk Kamp (Economische Zaken, VVD) op vragen uit de Tweede Kamer bij de behandeling van diens begroting. De context van die vragen is deze: het percentage uitgaven voor onderzoek & ontwikkeling moet omhoog naar 2,5 procent van onze jaarlijkse productie van goederen en diensten. In Europa is het streefgetal overigens 3 procent. Maar het schiet niet op in Nederland. Het is nu 2 procent. In euro’s: 12,7 miljard, waarvan 6,5 miljard voor rekening van het bedrijfsleven.

Wie tilt het percentage naar 2,5 procent? Kamp: „De r&d-uitgaven in de private sector zouden, kijkend naar het internationale perspectief, het meest dienen te stijgen.”

Maar juist het internationale perspectief werkt in het nadeel van Nederland, blijkt uit het Rathenau-rapport. De multinationals die hier geworteld zijn, onderhouden hun onderzoekscentra, zoals een tuinman zijn tuin. Beetje wieden, beetje snoeien, beetje sproeien. Ze zitten hier en alles opdoeken en wegtrekken naar een ander land is duur, de uitkomst onzeker. Dat geldt niet voor buitenlandse ondernemingen in Nederland, zoals de Amerikaanse farmagigant MSD (voorheen Organon), die zijn research in Oss sloot in het kader van een mondiale reorganisatie van zijn r&d-activiteiten.

De ontwikkeling van nieuwe producten en toepassingen is echter een heel ander verhaal. Daar openen bedrijven, om de analogie met de tuinman vol te houden, juist nieuwe terreinen. Daar willen zij straks oogsten. Daar zoeken Nederlandse bedrijven juist hun klanten en afnemers op. In de groeimarkten, zoals het Verre Oosten, China, Singapore.

Dat betekent dat dáár nieuwe centra openen. En dat de acht multinationals een steeds groter deel van hun totale uitgaven buiten Nederland doen. Het Nederlandse deel daalde bij ASML van 90 naar 80 procent, bij Philips ligt dit op 40 procent en bij Shell, Unilever en AkzoNobel nog lager.

En er is in de analogie met de tuinman een derde trend: Nederlandse bedrijven komen in buitenlandse handen. Numico (babyvoeding) bijvoorbeeld, een schakel in de voedingsketen. Wat doen nieuwe buitenlandse eigenaren met hun tuin? Gewoon onderhouden? Uitbreiden? Of sluiten, zoals het onderzoekscentrum van MSD in Oss?

Tegenwicht

Het Rathenau-rapport ziet geen uitholling van r&d in Nederland na buitenlandse overnames. Op het oude MSD-terrein staat nu een nieuw onderzoekspark. En het voorbeeld van Fokker maakt duidelijk dat het verdwijnen van een bedrijf niet per se het verdwijnen van kennis en knappe koppen betekent. Maar wat als Nederlandse multinationals na de vestiging en de uitbreiding van ontwikkelingscentra over de grens daar later ook onderzoekscentra vestigen?

Hoe moet Nederland tegenwicht bieden? De aanbeveling in het rapport om buitenlandse bedrijven te interesseren in het opzetten van Nederlandse onderzoekscentra klinkt logisch. Als de wereld één markt wordt, waarom zouden wij daar dan ook niet van profiteren?

Dit stuit echter op twee praktische punten. Tot nu is het niet gelukt, ook al doet het verantwoordelijk agentschap Netherlands Foreign Investment Agency al jaren zijn best. En, ten tweede, als Nederlandse bedrijven zo vasthouden aan hun Nederlandse onderzoekswortels, waarom zouden buitenlandse bedrijven dat dan ook niet doen op hun thuismarkten?