‘You can’t bullshit a Dutchman’

De Engelse bondscoach van de Nederlandse turners belooft plaatsing voor de Spelen. ‘Never, ever I see a cloudy day.’

Mitch Fenner, die over zijn darmkanker liever het stilzwijgen bewaart: „Ik ben een rasoptimist. En die spirit heb ik op de turners overgebracht.” Foto Lars van den Brink

Het heeft even geduurd, maar na vijf jaar observeren denkt Mitch Fenner de Hollandse ziel een beetje te kunnen doorgronden. Dat eeuwige ‘ja, maar...’ staat de bondscoach mannenturnen wel aan. Een Nederlander laat zich geen onzin verkopen, heeft de Engelsman ervaren. Waarna hij plotseling voorover buigt en keihard in de dictafoon schreeuwt: „You can’t bullshit a Dutchman!” Om met een brede grijns weer achterover in zijn stoel te leunen. Ik heb gezegd!

Fenner, een 69-jarige Welshman, is het type eeuwige optimist. Een kleine man, die zich met korte, verende pasjes door de turnwereld beweegt. Een man met een groot hart en priemende ogen die als flipperkastballen achter zijn brillenglazen heen en weer schieten. Hem ontgaat weinig. Die kordate turncoach uit Cardiff heeft het eilandenrijk van Nederlandse turners tot één geheel gesmeed. Zo hecht, dat hij belooft de turners als team – niet alleen Epke Zonderland, maar let wel: als complete ploeg – volgend jaar naar de Olympische Spelen in Rio de Janeiro te brengen. Dat zou een unicum zijn.

Uniek ook vanwege de gezondheidssituatie van Fenner. Een jaar geleden, kort voor de WK in het Chinese Nanning, werd bij hem darmkanker gediagnosticeerd. Hij moest thuisblijven, zijn jongens loslaten, wat hem zwaar viel, ook al was Fenner doodziek. Maar de turners na een intensieve voorbereiding aan hun lot overlaten? No way. Vanaf zijn ziekbed sprak hij de kerels met zijn aanstekelijk enthousiasme via Skype een aantal keren plechtig toe, waarna ze in de landenwedstrijd bij de eerste 24 eindigden. De eerste horde op weg naar de Spelen was genomen. Tot intens genoegen van Fenner: „They did a brilliant job.”

Ruim twaalf maanden verder is de tumor niet verdwenen. Zal ook niet gebeuren, weet Fenner intussen, want een operatie is uitgesloten, hebben de behandelende artsen hem verteld. Het goede nieuws: de bestralingen hebben dat verdoemde gezwel verkleind en Fenner voelt zich fit genoeg om zijn werk als bondscoach voor te zetten. En te volbrengen tot en met ‘Rio’, als het hem is gegeven.

‘Stoppen? Nooooo!’

Voorzichtige vraag: Heeft hij wel eens overwogen te stoppen? „Nooooo”, komt het van heel diep. Wat denkt die verslaggever wel. „Ik heb er nooit aan gedacht, geen moment. Mijn familie, mijn turnteam en onze olympische doelen, houden me gemotiveerd – they keep me going. Mijn job in Holland wil ik tot het einde volhouden.”

Over zijn ziekte bewaart Fenner bij voorkeur het stilzwijgen. Hij verlangt geen medelijden en wil de kanker al helemaal niet aanvoeren als excuus voor welke mislukking dan ook. Tussen de behandelingen door was Fenner zo vaak als mogelijk in Nederland om de centrale trainingen te leiden om de turners voor te bereiden op de WK in Glasgow, die dit weekeinde zijn begonnen en als het eerste grote kwalificatiemoment voor ‘Rio’ gelden. Altijd bijgestaan door zijn echtgenote, die volgens de Engelsman daardoor als de moeder van het turnteam wordt gezien. De plichtsgetrouwe Fenner: „We richten ons leven in rond de trips naar Holland. En ik heb nu ruim de tijd, omdat ik tien weken geen behandeling hoef te ondergaan.”

Genoeg over de darmkanker, laat Fenner duidelijk merken. Laten we het over turnen hebben. Vooral over zijn missie Nederlandse turners voor het eerst als ploeg naar de Spelen te brengen. Oprecht verbaasd: „Hoe was het mogelijk dat jullie Hollanders, met zoveel individueel fantastische turners nooit een sterk team op de been hebben gebracht? Toen ik in 2012 werd gevraagd bondscoach te worden, was dat de voornaamste reden dat ik toehapte. Ik wil Nederland voor het eerst als ploeg naar de Spelen brengen.”

Fenner kent de oorzaak van het historisch falen. Er werd geen samenwerking gezocht; ieder verdedigde zijn persoonlijk belang. Zo kon het gebeuren dat Epke Zonderland en Jeffrey Wammes in aanloop naar de Spelen in Londen elkaar terug vonden voor de rechter. De Engelse pers schreef bij Fenners aanstelling dat hij was aangesteld om een versplinterde ploeg te genezen. Zo werd er tegen Nederland aangekeken. Maar Fenner kijkt niet om, hij proclameerde een nieuwe start. „Ik luister naar de geschiedenis, maar wil er geen slaaf van worden. Ik haat woorden als ‘versplinterd’ en ‘probleem’. Ik zoek oplossingen. Ik heb alle betrokkenen simpelweg voorgehouden: werk samen, deel jullie kennis, dan kan mijn plan slagen.”

Drie jaar verder heeft Fenner een hechte groep gesmeed. Of de turners nu uit Heerenveen, Hoofddorp of Den Bosch komen, van Zonderland tot Wammes en van Yuri van Gelder tot Casimir Schmidt, allen hebben zich achter Fenner geschaard. En de resultaten zijn er naar. In 2014 werd Nederland zesde op de EK, voor Fenner een vingerwijzing dat hij de goede weg volgt.

Door de voordeur naar Rio

De Engelsman is dusdanig enthousiast over de vorderingen van vooral de jonge turners, dat hij de boude bewering aandurft dat Nederland door de voordeur naar Rio gaat. Daarvoor zal het team in Glasgow in de landenwedstrijd bij de topacht moeten eindigen. Op papier a hell of a job voor een land dat in de WK-geschiedenis nooit hoger dan achttiende is geëindigd. Onder voorwaarde dat iedereen fit is, kent hij geen twijfel. „Deze groep is zo sterk, dat ik niet inzie waarom we ons niet rechtstreeks zouden plaatsen.”

Naast Fenners vakmanschap is zijn aanstekelijk enthousiasme een stuwende factor. Hij is een grote motivator, iemand die steeds opnieuw de turners weet te inspireren. Zijn verklaring: „Ik ben een rasoptimist - never, ever I see a cloudy day. En die spirit heb ik op de turners overgebracht. Ze hebben mijn werkwijze geaccepteerd. Dan is het ondenkbaar om ongemotiveerd tegenover mij te staan.”

Als Fenner zijn turners dan in de ogen kijkt, ziet hij een vurige ambitie. Maar als hij naar sommige lichamen kijkt, ziet hij een overvloed aan tattoos. Tot zijn lichte ergernis. „Ik houd er niet van, en denk dat het nadelig werkt bij de oudere juryleden. Sommige leven nog in de sixties en seventies, kijken er naar en denken: mmm.”