Smaakmakers (2)‘Wij komen niet uit een complimentencultuur’

Vier jongemannen openden in Amsterdam de Foodhallen, ze hadden te maken met vooroordelen over hun leeftijd.

Vlnr: Chong Chu, Zing-Kyn Cheung, Rakish Gangapersad en Tsibo Lin.

Vijf jaar geleden maakten Zing-Kyn Cheung en Rakish Gangapersad een citytrip naar Madrid. Ze verbaasden zich over de food court in de Mercado de San Miguel. Meer dan dertig kraampjes met bijzondere hapjes en drankjes die ter plekke, in een prachtig negentiende-eeuws pand, genuttigd konden worden. Waarom bestond zoiets niet in Amsterdam?

Terug in Nederland maakten ze plannen voor een dergelijk concept in Amsterdam. Dat deden ze met Chong Chu en Tsibo Lin. Vier vrienden, allen begin dertig, drie in Nederland geboren Chinezen en een – Gangapersad – die als baby vanuit Suriname naar Nederland kwam. Drie kenden elkaar van hun studie bedrijfskunde, de vierde was de zwager van een van hen. Najaar 2014 openden ze in een oude tramremise de Foodhallen, en omdat de locatie zo groot was, ook nog twee restaurants – een horecacomplex dat dit jaar een half miljoen bezoekers zal trekken. Een gesprek met twee van de vier horecaondernemers: Tsibo Lin (34), ook eigenaar van twee hotels in de hoofdstad, en Zing-Kyn Cheung (34), tot twee jaar geleden consultant bij PricewaterhouseCoopers.

U moest naar de bank en op zoek naar 21 ondernemers die een kraam in de Foodhallen wilden openen. Vier jongemannen, sommigen zonder horeca-ervaring. Hoe werd er naar u gekeken?

Tsibo Lin: „Een bierleverancier voorspelde dat we het nooit zouden redden. En zo was er nog wel enige scepsis: ‘Wie zijn jullie, dat je zo’n groot project kunt trekken.’ Wat hielp was dat topkok Robert Kranenborg als een van de eersten een kraam huurde.”

Uw ouders kwamen naar Nederland om hier restaurants te openen. U beantwoordt aan het beeld van de ondernemende Chinees.

Zing-Kyn Cheung: „ Ik heb zelf nooit de ambitie gehad om ondernemer te worden. Ik ben wat wel een banaan wordt genoemd: geel van buiten, wit van binnen. Ik haal mijn normen en waarden meer uit de Nederlandse dan uit de Chinese cultuur. Ik ben bijvoorbeeld vrij direct in de omgang. Dat is onder Chinezen niet gebruikelijk.” Lin: „Ik heb het gevoel dat ik tussen twee culturen in zit. Ik ben meer Chinees dan Zing-Kyn.” Cheung: „Zijn ouders komen van het vasteland, de mijne uit Hongkong. Dat was altijd al meer westers georiënteerd.”

Tegen wat voor vooroordelen liep u als ondernemers op?

Lin: „Dat Nederlanders denken dat Chinezen alles goedkoop willen doen.”

Cheung, met een lach: „Waar we vooral last van hadden, is dat we jong zijn.”

Wat vinden uw ouders van uw succes?

Cheung, opnieuw met een lach: „Mijn ouders hadden liever gezien dat ik wat anders was gaan doen.” Lin: „Wij komen niet uit een complimentencultuur. Als het goed gaat, zeggen je ouders niks. Kom je als student met een zesje thuis, dan wordt zeker niet gezegd: ‘Volgende keer beter’.” Cheng: „O ok in de Chinees-Nederlandse samenleving speelt het confucianisme nog altijd een belangrijke rol. De groep gaat boven het individu.”

Hoe komt het dat je in de top van het bedrijfsleven relatief weinig Chinezen van de tweede generatie tegenkomt?

Cheung: „We zijn vaak minder mondig. Als je je mond niet opendoet, word je niet gezien.”