Wie niet zonk moest branden

Johan Otten dook de ambtelijke archieven in en geeft een minutieuze beschrijving van de heksenjacht in Brabant.

De Peel, waar 23 vrouwen alleen al in de zomer van 1595 werden verbrand.

Het is een droom: een veertiendaagse, verzorgde vakantie naar de Oost-Brabantse Peel in het jaar 1595. We denken aan de door die streek geïnspireerde schilderijen van Bruegel en verheugen ons al op de boerenkermis. Maar je kunt het in dat bewuste jaar heel ongezellig treffen, daar onder de haardstedenrook van Helmond. Op tijdtoeristen zit men niet te wachten. Peelland wordt in dat jaar geplaagd door heksenrazzia’s.

We kunnen het op veilige afstand op de voet volgen, dankzij het verbijsterende boek Duivelskwartier van Johan Otten. Het is de reconstructie van de bloedige terreur jegens hun onderdanen van twee heren in hun heerlijkheden.

In 1595 is de Contrareformatie in volle gang. Inquisitietijd: ketterjacht, maar ook heksenjacht. Bij het laatste stellen we ons doorgaans een rechtbankje voor van meedogenloze dominicanen, die op basis van bijgelovige angst en tijdens gruwelijke folteringen afgedwongen bekentenissen hun slachtoffers (meestal vrouwen) tot de brandstapel veroordelen. Dat beeld strookt niet met wat Otten beschrijft. In dorpen als Geldrop, Mierlo, Lierop of Asten zijn het twee plaatselijke, wereldlijke machthebbers die een bloedbad aanrichten, waarbij in zomer en vroeg najaar 1595 maar liefst 23 vrouwen hun einde op de brandstapel vinden. Later dat jaar grijpen hogere overheden in. Dankzij actie van de in Brussel zetelende Raad van Brabant en de verslaglegging daaromtrent, kon Otten dit zo minutieus beschrijven.

Het is armoedetijd, koeien sterven en er is nog veel meer ellende. En dat alles is de schuld van de vrouwen die dansen met ‘helleoverste’ Lucifer, en zich overgeven aan zijn ‘koude natuur’, het kille geslacht van de ‘viant’. Ze toveren al dan niet met zalf uit de ‘smeerpot’ het vee ziek en weten in een enkel kwaad krachtgeval de bliksem in kerk of boerenwoonst in te doen slaan. Ze biechten het zelf op, om te worden verlost van de geseling die hun tepels doet scheuren en hun botten doet breken. De eerste vaste procedure hebben ze dan al gehad: de waterproef. Geboeide tewaterlating, wie blijft drijven wacht de dood, de (zeldzame) zinkers mogen naar huis.

Ruzies werden zo uitgevochten

In bekentenissen worden vaak namen genoemd. Vrouwen wijzen naar andere vrouwen, die onmiddellijk worden gearresteerd en weer andere namen noemen. Vaak worden bestaande burenruzies aangegrepen, maar ook de aanklager zelf heeft vaak nog appeltjes te schillen. Daarmee klimt de heksenlijst van ‘arme straatvarkens’ (in één geval een demente, volstrekt berooide weduwe) naar hogere regionen in de samenleving. Essentieel is natuurlijk de vraag; waar komt die furie bij Erasmus van Grevenbroeck (Heer van Mierlo en Lierop) en Bernard van Merode (Heer van Asten) vandaan?

Het kunnen opeisen van de bezittingen van de slachtoffers lijkt geen aandrift: de meesten bezitten niets. Verder zijn zulke duivel- en heksenbestrijders in zowel katholieke als reformatorische kringen te vinden. Alle razzia’s hebben plaats in het licht van de angst dat de duivel via een verbond met stervelingen doende is de mensheid te laten ondergaan. Daar moet je toch maatregelen tegen nemen?

Ottens boek is een schoolvoorbeeld van hoe je de geschiedenis kunt laten bloeien op basis van vaak formeel, ambtelijk archiefmateriaal. Hij slaagt erin dit zo zorgvuldig, invoelend en beeldend te presenteren dat men waant rond te lopen in een Bruegelschilderij. Niet diens doek ‘Boerenkermis’, maar in zijn grootse nachtmerrie-achtige ‘Triomf van de dood’ (1562).