Vlucht uit de Russische hel

In de winter van 1812 trok Napoleon zich terug uit Rusland. Bruggenbouwers, onderdeel van de 15.000 Nederlandse militairen in het leger van de keizer, probeerden de resten van de Grande Armée de rivier de Berezina over te helpen. Dit is, voor het eerst, hun verhaal.

De ondergang was nabij. Napoleon realiseerde zich dat hij nog maar een zeer kleine kans had om te ontsnappen aan zijn achtervolgers. Hij moest aan de overkant van de honderd meter brede rivier zien te komen voordat de Russische bevelhebbers ontdekten hoe slecht hij ervoor stond. Door een ruitereenheid met veel misbaar naar het zuiden te laten rijden, lukte het hem de vijand op de westelijke oever weg te lokken van de plek waar hij de Berezina wilde overbruggen. Zijn ingenieurs konden daardoor ongestoord aan hun werk beginnen.

Een Nederlandse compagnie pontonniers onder leiding van kapitein George Benthien nam het voortouw. Zijn mannen braken de houten huizen in de buurt van de rivier af en waadden het met ijsschotsen gevulde water in om de staanders van de brug in de grond te slaan. Dat kostte veel moeite, zag Benthien, omdat de rivierbedding erg modderig was. „De uit het water komende manschappen waren allen zodanig verkleumd en stijf van de kou, dat ofschoon men aan ieder van hen ter aanmoediging vijftig franc gaf, de meesten slechts eenmaal te water gaan konden, en zich daarna bij de bivakvuren zo goed mogelijk trachtten te herstellen.”

Nadat alle schragen eindelijk vaststonden, begonnen de pontonniers met de vervaardiging van het wegdek waarover het leger naar de overkant moest. Omdat de planken veelal te kort waren om de volle breedte van de brug te overspannen, werden er twee of drie aan elkaar gespijkerd. Dat kwam de stevigheid van het oppervlak uiteraard niet ten goede. „Al deze arbeid ging in het donker, bij het verwijderd licht der bivakvuren, in weerwil van de betoonde ijver, slechts langzaam voort”, aldus Benthien.

Het duurde tot het middaguur van de volgende dag voordat er twee bruggen waren voltooid. De Russen hadden niet in de gaten dat Napoleon hun trachtte te ontglippen en op 26 en 27 november trokken vele duizenden mannen de rivier over. De bruggen raakten regelmatig beschadigd, maar telkens slaagden de Nederlandse pontonniers erin hun bouwwerk te herstellen, al kostte het koude water velen van hen het leven.

In de val

Bij het krieken van de dag op 28 november was het gedaan met de ongestoorde overtocht. De Russen zetten als eerste de aanval in op het Franse bruggenhoofd op de westelijke oever van de Berezina. Als ze de verdedigers daar konden verdrijven, zaten de mensen die de brug nog moesten oversteken in de val.

De Nederlandse kolonel Jacob Tellegen hoorde ’s ochtends vroeg van Russische zijde drie kanonschoten: het teken voor de aanval. Die begon daarna zo snel, dat de tweehonderd mannen die hij aanvoerde nauwelijks de tijd hadden hun wapens ter hand te nemen.

„Binnen vijf minuten was ons hele korps met de Russen in gevecht”, herinnerde hij zich. „Er werd hard gevochten. De Russen drongen ons door hun overmacht gedurig terug.” De verdedigers leden zware verliezen - en ook Tellegen moest incasseren: „De kling van mijn degen was doormidden geschoten. Ik had reeds verscheidene kogels door mijn kleren gehad, en het duurde niet lang of ik kreeg een geweerkogel door mijn linkerborst, die twee ribben brak. Nadat ik een moment met mijn neus in de sneeuw had gelegen, stond ik op om bij de grote weg te komen.”

De opofferingsbereidheid van Tellegen en de andere mannen op de westelijke oever – onder wie de restanten van het Nederlandse 123ste en 124ste Infanterieregiment – zorgde ervoor dat de aanvallers niet konden doordringen tot het bruggenhoofd. En dus stroomden de hele 28ste november mensen de Berezina over. Ongestoord ging dat niet, want ook op de oostelijke oever zetten de Russen het offensief in. Een laatste linie verdedigers moest alles op alles zetten om de vijand weg te houden.

De Russen waren erin geslaagd een batterij geschut in positie te brengen en het vuur te openen op de mensenmassa die de bruggen trachtte te bereiken. François Dumonceau, een kapitein bij een Nederlandse cavalerie-eenheid die een dag eerder was overgestoken, overzag het drama: „We zagen de menigte als een onstuimige zee heen en weer bewegen om aan het vuur te ontkomen, rennend van de ene brug naar de andere, in de hoop sneller te kunnen oversteken. Granaten ontploften in hun midden en kogels sloegen grote gaten in deze compacte massa.”

In dit gedrang bevond zich de Nederlandse huzaar Cornelis Geisweit van der Netten, een van de weinige overlevenden van zijn regiment. Hij had de nacht doorgebracht ten zuiden van Stoedjonka en was op 28 november wakker geworden van kanongebulder. Toen hij de bruggen over de Berezina naderde, kwamen hij en zijn paard al snel in de chaos terecht. „Het vuur naderde en veel kogels en granaten vielen in onze menigte. Mijn paard werd doorboord door een kogel, maar gelukkig kon ik een ander bestijgen. Het was een vreselijke slachtpartij; allen die vielen, werden zonder mededogen vertrapt.”

De groep waarmee hij reed, begaf zich naar de rand van het water, met het plan de Berezina over te zwemmen. Dat bleek ijdele hoop. „Aangekomen aan de oever van de rivier zag men dat het onmogelijk was. De snelheid van de stroom en de steile, met ijs bedekte oevers, deden alle mannen en paarden verdrinken die de overtocht waagden.”

Toen hij bij de mensenzee voor de bruggen arriveerde, gaf Geisweit van der Netten zijn paard de sporen en drong naar voren. „Ik bevond me opnieuw in een enorme massa ruiters en handpaarden, die duwden om vooruit te komen. Het was onmogelijk vooruitgang te boeken. Ik bevond me in een wanhopige situatie, maar toch kon ik het niet laten te lachen wanneer ik zag dat de minste beweging aan de kop van de massa ertoe leidde dat iedereen begon te roepen ‘heu! heu!’ en met armen en benen begon te bewegen om de uitgeputte paarden naar voren te krijgen. Ik bleef in deze positie tot aan middernacht en was nog geen 25 passen opgeschoten. Ik zette voet aan de grond en begaf me naar een vuur om erbij te gaan zitten. Ik wilde iets eten, maar ik kwam erachter dat men in de drukte al mijn vlees had gestolen.”

Andere mannen van het regiment huzaren bereikten deze dag wel de overkant, al ging dat met heel veel moeite. Kapitein Theodorus van den Bergh worstelde zich samen met een neef naar de oever. „Het gevecht was hevig en de kanonskogels en granaten vielen in ons midden. Wij beiden zakten midden in het gedrang: vloeken, razen, tieren of kloppen hielp niets. Het noodlot trof mij midden in het zog te komen en als een vloed mieren werden wij naar de rivier gedreven.”

De brug, bezaaid met lijken

Dat werd zwemmen, realiseerde Van den Bergh zich vol afgrijzen. Zijn paard bleef echter steken in de massa paniekerige dieren die de gladde oever afglibberden. Hij verloor zijn evenwicht en wist zich maar net onder de mensen en paarden uit te wringen die over hem heen vielen. Zodra hij zich vrijgevochten had, probeerde hij nog eens bij de brug te komen.

„De brug was, toen ik er miraculeus opkwam, zodanig met lijken bezaaid, dat men als het ware tegen een helling op moest. Er was zeer weinig nodig om eraf gedrongen te worden en dit was mijn ongeluk. Ik viel in het water tot aan mijn armen en scheurde mijn broek, waadde in het water tot aan de hals, klauterde weer tegen de brug op en kwam behouden over, zij het genoegzaam stijf bevroren. Met dit natte pak moest ik nog vier uur lopen voor ik mij kon drogen. Ieder die erover gekomen was, wenste zich geluk. Doch allen waren even arm en naakt.”

Van de Bergh mocht het koud hebben, hij was tenminste aan de overkant beland. Zijn regimentsgenoot Geisweit van der Netten slaagde daar niet meer in, omdat de Fransen in de ochtend van 29 november de bruggen in brand staken zodat de Russen, die op de oostelijke oever waren doorgebroken, hen niet konden achtervolgen.

George Benthien nam met weemoed afscheid van de bruggen die hij en zijn mannen de afgelopen dagen met noodreparaties overeind hadden gehouden. Van de ongeveer vierhonderd man die aan de oeververbinding hadden gewerkt, waren er niet meer dan dertig à veertig over.

De schattingen over de verliezen die de Grande Armée van Napoleon leed tussen 26 en 29 november lopen uiteen van 20.000 tot 40.000 mensen aan doden, gewonden en krijgsgevangenen, van wie ongeveer de helft achterblijvers waren. De Russen verloren slechts zo’n 4.000 man.

Voor de mannen die waren ontkomen, was het leed nog lang niet geleden. Kapitein Aart Kool, een ingenieur die had geholpen bij het begaanbaar houden van de bruggen, omschreef het zo: „Van de Berezina af was de terugtocht niets dan een volslagen vlucht. Aan het behoud van militaire posities werd niet meer gedacht. De wegen waren nog meer dan tevoren bezaaid met lijken. Niets was afgrijselijker dan deze ongelukkigen te zien. De hongerdood die zij ondergingen, was gewoonlijk voorafgegaan door een stuiptrekkend zieltogen. In dezelfde houding lagen de lijken, geheel ontkleed, uitgeteerd van ellende, op de wegen.”

Het zou nog erger worden: de Nederlanders die bij de Berezina waren ontkomen, wachtte nog een tocht van honderden kilometers voor ze zich eindelijk aan de Russische hel konden ontworstelen. Slechts weinigen zouden daarin slagen.