Column

Vijgenjam

S. Montag

In deze krant stond deze week een meeslepende column van Frits Abrahams over het eten van de tompoes, het taartje of gebak dat hier als een onweerstaanbare lekkernij wordt beschouwd. Een langwerpige rechthoekige constructie met een basis van stevig bladerdeeg. Dan komt er een dikke laag van gele pudding en tenslotte het dak, weer bladerdeeg, geglaceerd met een laagje roze of blauwachtige mierzoete suiker.

De meeste mensen kunnen aan de aanblik van een tompoes geen weerstand bieden. En dan begint het volgende hoofdstuk, het genieten. Je zet je tanden erin. Door de druk die je daarbij op de lagen bladerdeeg uitoefent wordt de pudding eruit geperst, als je boft vallen de klodders op je bordje en anders op je kleren of op de grond. Het genieten wordt vervangen door haastig schoonpoetsen en daarna begin je aan de ruïne van je kostelijk gebak.

Abrahams is grondig tewerk gegaan. Hij heeft ontdekt welke columnist het eerst over de tompoes heeft geschreven. Nico Scheepmaker, op 4 september 1967, in de Volkskrant, waar hij onder het pseudoniem Hopper een column had. Hij vond dat je de tompoes nooit met mes en vork maar uit de hand moest eten. Voorzichtig bijtend de uitpuilende room eraf halen en dan voluit je tanden in het bladerdeeg zetten. Nico, een dierbare herinnering. Ook in deze krant heeft hij columns geschreven. In 1990 is hij tijdens een partijtje tennis aan een hartaanval gestorven.

Voor alle zekerheid heb ik over de tompoes nog even de Wikipedia geraadpleegd. We hebben hier te maken met een van de oudste versnaperingen uit de geschiedenis. Al aan het einde van de middeleeuwen werden in de westelijke beschaving een soort tompoezen gegeten. En Marten Toonder heeft de naam van Heer Bommels beste vriend aan het gebakje ontleend. Nog veel meer wetenswaardigheden die ik nu oversla.

Ik ben nooit een liefhebber van de tompoes geweest. Voor de oorlog nam mijn moeder me mee naar maison Pöckel in de Hoogstraat, in Rotterdam. Daar kreeg ik een harde wener. Ook een taartje dat was opgebouwd uit twee lagen kruimig gebak met daartussen een laagje jam, en de bovenste geglaceerd, bekroond met een gekonfijte kers. Wat een genot. De harde wener zie je nog maar zelden. Uit de mode geraakt.

De mens kan niet zonder een zekere dosis zoetigheid. Een bonbon, een reep, een zuurtje, een toffee, je zou eens een opsomming moeten maken van al dat zoets. Heeft hij dat nodig? Ja. Voor de meeste mensen is het leven op aarde over het algemeen niet onverdeeld een pretje – ik druk me behoedzaam uit – en door het eten of drinken van iets zoets word je even met je lot verzoend. Een kortsluiting tussen je smaak en je hersenen. Ik vraag me af of de wetenschap het al verder heeft uitgezocht. Conclusies zouden van groot belang voor de politiek kunnen zijn.

Een paar jaar geleden heb ik een nieuwe zoetigheid ontdekt: de vijgenjam. Iedereen weet wat een vijg is. Een beetje droge, zoete vrucht die je ook in gekonfijte vorm kunt kopen. Al 9.000 jaar voor Christus aten de mensen graag vijgen, las ik. Een paar maanden geleden kocht mijn vrouw een potje vijgenjam, zo te zien donkerbruine smurrie, maar toen ik een lepeltje had geproefd wist ik dat ik verslaafd was.

De volgende dag, tussen de middag. Wil je een toastje met vijgenjam, vroeg ze. Ik kreeg een stuk knäckebröd dat ze rijkelijk met die jam had besmeerd, wel een halve centimeter dik. Ik deed mijn eerste beet en daar gebeurde het wonder. Deze Scandinavische toast brak niet waar ik mijn tanden had gezet, maar op drie andere plaatsen en tijdens de val draaiden de brokstukken zich om zodat ze met de kant van de jam op het bordje terecht kwamen. Ik probeerde de jam weer op een stukje toast te schuiven, kreeg kleverige vingers, enz. Lag het aan mijn verkeerde manier van bijten, of aan die toast? Ik nam de volgende proef. Zelfde resultaat. Ik blijf de vijgenjam trouw maar zoek naar een betrouwbare onderlaag.