Toneel, leuk! Maar wie wil er met mij (24) mee ?

Welke jongere gaat nog naar het toneel? Het is te veel gedoe, zeggen ze. Te duur. En dan die sjieke kleding. Vermoeiend. Het tegendeel is waar, constateert Annet Veenstra.

Prins Willem-Alexander, gespeeld door Waiko van der Pol, tijdens een intiem moment met zijn vriendin Emily, gespeeld door Roos Schlikker. Toneelgroep Toetssteen, 1996. Foto ANP / Herman Pieterse

Zwarte broek, witte bloes, blonde haren in een knot. De Amsterdamse schouwburg kende ik op mijn duimpje. Ik sloot me aan bij de laatste groep die de controle passeerde. „U hoort bij elkaar?” Ik deed er een schepje bovenop en liet mijn gezicht zeggen: ik ben hier kind aan huis, hoe durft u me nog lastig te vallen met een controle.

Een uur eerder had ik in de rij gestaan, lastminute kaarten, vaak lukt dat nog wel. De man voor me bestelde er drie tegelijk. De laatste drie.

The Fountainhead van Toneelgroep Amsterdam was uitverkocht, alle avonden. En ik moest de voorstelling zien. De recensies waren te goed, de acteurs te fenomenaal, ik hield te veel van toneel, het moest. En ik vond dat ik het verdiende. Ik liep de deur plat bij Toneelgroep Amsterdam. En een jong gezicht dat zich laaft aan toneel, waar vind je dat nog.

Het lukte. Zonder kaartje. Ik stond op het punt voor het eerst van mijn leven iets te stelen. Kunstroof. Het schuldgevoel kroop onder mijn huid en begon te gloeien. Op rij één was nog een plek vrij. Ging ik het doen? En wat als de laatkomer zijn plek kwam opeisen? Ik liep al. En liet me beheerst zakken op de stoel. Twintig seconden later doofden de lichten.

Vraag ik vrienden mee naar de film, dan klinkt het steevast ‘Ja!’ en ‘Leuk!’. Maar generatiegenoten zover krijgen dat ze een schouwburg binnenstappen, is bepaald geen sinecure. Musical is geen probleem. Cabaret evenmin. Maar de rauwe werkelijkheid van een toneelvoorstelling is too much to handle.

Ik vraag het wel eens. Waarom dan niet?

Omdat het te veel gedoe is, zeggen ze. Een toneelvoorstelling kost echt moeite. Een film kan je lekker consumeren. En je moet je kleden op een avond in het pluche. Naar de bioscoop kun je in je joggingbroek. Niet alleen mijn generatiegenoten zeggen het, mijn baas van 52 zegt het ook. Van toneel word je moe.

Dan maar in m’n eentje. Liefst op rij één, oog in oog met degene die mij met harde hand een andere wereld in rukt. Want dat is wat ze missen, die vrienden die nog niet weten hoe laag de drempel bij de schouwburg is. Ze missen andere werelden. Kunst leert ons over de wereld in een tempo dat we in het echte leven niet kunnen bijbenen. Stel je voor dat je al die vreemde werelden uit boeken of voorstellingen daadwerkelijk zou moeten bezoeken. Daar is één leven te weinig voor. Daarom reizen we via kunst de wereld over, komen we via fictie in contact met andere gedachten en waarden.

Toneel, film, boek, ze bootsen de wereld na. En ze doen dat ook niet. Toonden ze ons de werkelijkheid, dan zouden we er geen bal van snappen. De wereld is opgebouwd uit onvolkomenheden en halve zinnen. In de wereld zit van nature geen verhaal. Een film- of theaterregisseur schotelt ons daarom een gecondenseerde vorm van het leven voor.

Als kind moest ik na een theatervoorstelling altijd huilen. Ongeacht de voorstelling die ik had gezien. Bij films huilde ik alleen als het zielig was. Idem bij een boek. Het essentiële verschil was dat ik in het theater een interactie aanging. In de bioscoop was dat een interactie tussen mij en een wit scherm. De film kreeg niks van mijn aanwezigheid mee, werd er beter noch slechter van. In film of boek geven de makers hun geest eenmalig, in een toneelstuk talloze malen. In gedicht of film kan de ontmoeting tussen je geest en het kunstwerk nog maar op één manier tot stand komen. De kunst is al gemaakt, alleen jouw reactie erop moet zich nog vormen. In het theater krijgt de kunst onder jouw ogen zijn vorm. Als Hans Kesting Chris Nietvelt van achteren beetgrijpt in Maria Stuart, als hij dan het publiek in kijkt en ziet dat je bent geschrokken, dan verandert dat de scène.

Toneel is confronterend. Je moet zitten kijken naar een mens die weet dat jij er ook zit. Voyeurisme in de wetenschap dat je al betrapt bent. Toneel heeft ons iets te bieden dat andere kunstvormen niet kunnen. Het geeft ons een meeting of minds met een levende geest. Geen optie tot terugspoelen. De kunst wordt voor jou en met jou gemaakt en verdampt in het moment.

Je moet alleen wel vaak genoeg over de drempel gestapt zijn om te weten hoe laag hij is. Nette kleren aan moeten is een flauwekulargument; acteurs die naar hun collega’s komen kijken, zitten er zelf het sjofelst bij van allemaal. En dat het theaterpluche duur zou zijn is ook niet waar – voor jongeren niet, althans. In Amsterdam betaal je tot je dertigste tien euro per voorstelling, met een Sprintpas.

Toneel kijken doe je niet, omdat je het niet gewend bent. Je moet in je jeugd al de magie van de theaterzaal gevoeld hebben om later de waarde ervan te kunnen herkennen. De bal ligt bij de ouder. Het hoeft niet elke maand, maar je ontneemt je kind iets wezenlijks als je hem de schoonheid van het toneel niet laat zien. Dan is het alsof je je kind altijd binnenshuis houdt en hem nooit eens de bloemen in de tuin aanwijst.

Na vier uur in het donker spreekt Ramsey Nasr zijn slotmonoloog uit. De spanning van de avond maakt mijn hoofd licht. Straks loop ik nog even langs de kassa, misschien kan ik mijn tientje alsnog be…. – Nasr onderbreekt mijn gedachte. Hij brengt een ode aan de scheppende geest ten koste van de mens die voortdurend uit de tweede hand leeft; hij die geen kunst maakt, maar slechts consumeert.

Annet Veenstra studeerde klassieke talen, bedrijfscommunicatie en psychologie. Ze mocht als kind vaak mee naar het theater.