Tijdelijk geld is onzeker geld

Steeds meer geld wordt verdeeld via projecten. Nergens is de flexibele schil van mensen op een tijdelijk contract zo groot als in de wetenschap.

foto's lars van den brink

Het bedrijfsleven, Brussel, overheidsinstantie NWO, ze financieren allemaal onderzoek op tijdelijke basis. In blokken van 3, 4, 5 jaar. Die groei van de tijdelijkheid baart onderzoekers zorgen, en ook vakbonden en universiteitsbestuurders.

Universiteiten zijn vaak verplicht geld bij te leggen als een onderzoeker een extern project binnensleept, uit Brussel bijvoorbeeld, of via een fonds. Deze verplichting om te matchen beperkt de universiteiten steeds meer om een eigen onderzoekslijn uit te stippelen. Terwijl ze zich juist, volgens afspraken met de overheid, duidelijker moeten profileren. Dat probleem heeft een werkgroep van zes ministeries vorig jaar ook vastgesteld in een rapport (IBO Wetenschappelijk onderzoek, mei 2014). In reactie hierop heeft minister Bussemaker met ingang van dit jaar 50 miljoen euro jaarlijks extra beschikbaar gesteld voor de universiteiten, specifiek voor matching. Universiteiten vinden dat te weinig.

Ook de vakbonden klagen over projectgeld. „Tijdelijk geld is onzeker geld”, zegt Marijtje Jongsma. Ze is cognitiewetenschapper aan de Radboud Universiteit Nijmegen en voorzitter van de VAWO, de vakbond voor de wetenschap. Universiteiten zijn daarom voorzichtiger geworden met het aanstellen van vaste staf, zegt ze. De toename van het projectgeld heeft volgens haar bijgedragen aan de groei van het aantal mensen op een tijdelijk contract. Deze ‘flexibele schil’ beslaat inmiddels 40 procent van het totale wetenschappelijke personeel, exclusief de promovendi. Tel je die erbij op dan kom je op 60 procent, zegt Jongsma. „Geen enkele andere sector in Nederland heeft zo’n grote flexibele schil.” Het heeft ertoe geleid dat steeds grotere aantallen jonge onderzoekers jarenlang van universiteit naar universiteit trekken, zonder een vaste baan en met onzekere toekomst.

In de nieuwe cao, vorig jaar december afgesloten tussen vakbonden en universiteiten, is vastgelegd dat universiteiten zich zullen inzetten om het aantal tijdelijke contracten terug te dringen. Of dat zal gebeuren – de cao is pas dit jaar ingegaan – is nog niet duidelijk.

Vooral voor jonge onderzoekers – promovendi en postdocs – is er nóg een probleem: het projectgeld van NWO. Dat is veel minder snel gegroeid dan hun aantal. Daardoor wordt het steeds lastiger om een projectvoorstel goedgekeurd te krijgen bij deze overheidsfinancier. Het voedt de onderlinge concurrentie en de publicatiedruk. Maar die druk vinden ze niet eens het ergste, zegt Cathelijn Waaijer, promovendus bij hoogleraar Wetenschapsbeleid Cornelis Van Bochove aan de Universiteit Leiden. Ze enqûeteerde er ruim 1.100 promovendi en 225 postdocs over. „Het is vooral de druk dat het al of niet krijgen van een NWO-beurs zo bepalend is voor de verdere universitaire onderzoekscarrière. Dát vinden ze frustrerend”, zegt Waaijer. Te meer omdat ander onderzoek heeft aangetoond dat het vaak onduidelijk is waarom NWO het projectvoorstel van de ene onderzoeker wél beloont, en dat van de andere, net zo goede onderzoeker, niet. Het maakt de carrièrevooruitzichten ongrijpbaar. „En dat voedt weer het cynisme over het systeem”, zegt Waaijer.

Hier zijn we volgens Barend van der Meulen van het Rathenau Instituut bij de kern van de zaak. Nederland heeft veel wetenschappelijk talent. „En als je dat allemaal wil accommoderen moet er heel veel extra geld bij het onderzoeksbudget.” Willen we dat? Hoeveel extra dan? Hoe bepaal je dat?

Intussen maakt ook de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen zich zorgen over projectgeld. Maar om een heel andere reden. Als gevolg van het in 2010 ingezette topsectorenbeleid moet NWO bijna de helft van zijn budget reserveren voor publiek-private samenwerking, binnen negen industriële sectoren. De angst is dat het ten koste gaat van het fundamentele, vrije onderzoek. Maar is dat hard te maken? Bedrijven zeggen dat ze ook wel het belang zien van fundamenteel onderzoek. Er is heus wel ruimte voor in publiek-private projecten. De KNAW liet het uitzoeken door een commissie: gaat het NWO-geld inderdaad minder naar vrij onderzoek? De commissie concludeerde afgelopen juli dat er vermoedens zijn dat met name de bètawetenschappen minder geld overhouden voor vrij onderzoek, vergeleken met de geesteswetenschappen. Maar ze concludeert ook dat hard bewijs hiervoor niet te vinden is. Alleen al omdat NWO niet precies bijhoudt hoeveel geld naar welke discipline gaat, en hoe projecten vervolgens worden ingevuld.

De zorgen van de KNAW staan ook haaks op de resultaten van een enquête die het Rathenau Instituut vorig jaar uitvoerde. Het polste de drijfveren van bijna 3.000 onderzoekers in Nederland. Daarvan gaf 80 procent aan voldoende ruimte te hebben om zelf de onderzoeksvragen te bepalen.

Blijft de vraag: moet er nu wel of niet iets veranderd worden aan de manier waarop onderzoek met publiek geld wordt gefinancierd? Dat hangt maar net van het doel af, concludeert het Centraal Plan Bureau in een afgelopen juli verschenen rapport. Fundamenteel onderzoek is meer gebaat bij vaste geldstromen. Maar projectgeld (competitieve financiering) heeft weer de voorkeur als een overheid op onderzoeksthema’s wil sturen. De Nederlandse overheid wil allebei. En nog meer. In het ministeriële rapport ‘Wetenschappelijk onderzoek’ worden vier doelen genoemd: ruimte voor fundamenteel onderzoek, realiseren van economische opbrengsten, realiseren van maatschappelijke opbrengsten en onderzoek ten behoeve van onderwijs. Wat hiervoor de ideale mix van financieren is? Niemand die het weet.