Slachtoffers

Journalist Seada Nourhussen heeft geen medelijden met de witte man.

Weet je wie het tegenwoordig moeilijk hebben? Witte, hoogopgeleide mannen!”, klaagt de witte, hoogopgeleide man geregeld tegen die ene zwarte vrouw in zijn omgeving. De witte man zegt het grappend, maar ook bezorgd. Hij vreest dat het binnenkort niet meer draait om mensen zoals hij, maar om mensen zoals ik: die ene zwarte vrouw.

Ik kijk om me heen op de werkvloer, in het restaurant of in de koffie-/vintagekledingzaak, tevergeefs op zoek naar mensen zoals ik. De witte man blijft erbij; hij is anno 2015 niet alleen oninteressant geworden, hij krijgt ook overal de schuld van. Belastingontwijking, CO2-fraude, het glazen plafond, rokjesdag, vluchtelingen, en, welja, doe racisme er ook maar bij. Zeurpieten, vindt de witte man. Van die types die met uit de Verenigde Staten overgewaaide, aanstellerige termen als ‘wit privilege’ en ‘institutioneel racisme’ strooien. Die taal werkt misschien in het hysterische Amerika, maar in het tolerante Nederland klinkt het belachelijk.

Hier doen we niet overgevoelig over een naakte, zwarte figuur met rode lippen en het woord ‘nigger’ boven een artikel in NRC over boeken van Afro-Amerikaanse auteurs. „Snappen die Amerikaanse zeloten dan helemaal niets meer?”, reageerde een woedende Philippe Remarque na kritiek van The Washington Post . Remarque is hoofdredacteur van de Volkskrant, maar witte mannen moeten elkaar steunen in deze barre tijden. En Remarque wil gewoon ‘nigger’ kunnen zeggen, zoals al die rappers. Daarbij hadden de zwarte mensen bij NRC geen problemen met kop en beeld, loog chef van de boekenredactie Michel Krielaars toen Washington Post-redacteur Karen Attiah verhaal bij hem kwam halen. Die zwarte mensen bestaan bijna niet op de spierwitte NRC-redactie, maar zo was Krielaars even van deze Ghanees-Amerikaanse zeurpiet af. Daar hebben we in Nederland namelijk geen zin in.

Hier moeten mensen met een Uitheemse Achternaam zich aanpassen aan de keurige omgangsvormen van mensen met een Inheemse Achternaam, zo leerde Jan Kuitenbrouwer ons in een column waarin hij middels een creatief gemanipuleerde Twitterconversatie mondige Uitheemse Achternamen op hun nummer zette. Uitheemse Achternamen moeten niet zo’n slachtofferrol aannemen, maar zich lekker ‘invechten’, zo leert onze premier ons. Want als de witte man ergens een hekel aan heeft, dan zijn het slachtoffers. Dus niet klagen, maar kansen pakken.

Dat vond actrice Viola Davis nou ook. Maar dan anders. „Het enige dat een zwarte vrouw scheidt van ieder ander, zijn kansen”, zei ze onlangs nadat ze als eerste zwarte vrouw een Emmy had gewonnen voor beste vrouwelijke hoofdrol in een Amerikaanse dramaserie. In een Nederlandse tv-studio maakt de witte man korte metten met die emo-onzin. „Mijn indruk is dat gekleurde mensen niet minder aanwezig zijn op de Amerikaanse televisie dan blanke mensen”, aldus John de Mol tegen Jeroen Pauw. Zo, klaar. De witte man kan het oneens zijn met de feiten en dan zegt Pauw slechts ‘ok’. De enige zwarte vrouw aan tafel, zangeres Shirma Rouse die dankzij De Mol’s talentshow bekend werd, sprak hem ook niet tegen. Voor je het weet ben je een slachtoffer.

De witte man is nooit een slachtoffer. Ook niet als hij die rol wel aanneemt. „Eindelijk voel ik me een beetje serieus genomen”, zei ’s lands meest zichtbare schrijver en gasthoofdredacteur van dit blad, Adriaan van Dis, nadat hij de Constantijn Huygens-prijs voor zijn oeuvre toegekend had gekregen. De jury van de Constantijn Huygens-prijs eert Van Dis onder meer vanwege zijn „diepe interesse voor de ander”. Dat verried dat de jury uit veel witte mannen bestaat. Die vinden het ontroerend als een andere witte man, vooral een deftige, contact durft te maken met niet-witten. Ook als dat niet echt het geval is.

Als het zijn geliefde Zuid-Afrika betreft, spreekt van Dis vaak over de schoonheid van het Afrikaans – een minderheidstaal die zo verwant is aan het Nederlands dat er van een sprong richting ‘de ander’ weinig sprake lijkt. Een taal die fel wordt bestreden door zwarte studenten, omdat die hen twee decennia na het apartheidsregime nog steeds buitensluit op een universiteit waar Van Dis ook studeerde.

Zuid-Afrikaanse jongeren breken radicaal met het sprookje van de regenboognatie. Ze halen standbeelden van koloniale heersers neer en gaan op safari in witte wijken, net zoals witte toeristen op tours gaan door hun townships. Ook zwarte jongeren aan de Amsterdamse Vrije Universiteit hekelen het eurocentrisch curriculum en richten hun eigen bibliotheekjes en intellectuele vrijplaatsen op.

‘De kolonie slaat terug’, was het thema dat uw gasthoofdredacteur voor deze editie van DeLUXE koos. Is het niet vreemd om soevereine staten nog als ‘kolonie’ aan te duiden? Maar Van Dis vreest dat Europa nog een fikse rekening krijgt voor de koloniale periode en constateert dat de minderheidspositie van ‘de blanken’ aanstaande is. Om dat te onderstrepen wordt u getrakteerd op verhalen over een Indonesische bestellerauteur, een Chinese modeontwerpster, een Surinaams-Nederlandse cardiologe en een bijdrage van mij de, Ethiopisch-Nederlandse journalist. En ik wilde het hebben over het onderliggende thema: ‘De vergruizende hegemonie van de witte man’. Een thema waar ik om moet lachen; de witte man vreest het afbrokkelen van zijn macht, nog voordat daar sprake van is. Want intussen kijk ik nog steeds om me heen in de kantoortuinen en witgewassen bakfietsbuurten. Tevergeefs op zoek naar mensen zoals ik.

Ik troost me met het idee dat zij elders, ver weg van de bleke burelen van de ingedutte, traditionele media, vernieuwende documentaires, boeken en webseries realiseren. Ze leggen, virtueel of fysiek, contact met gelijkgestemden van Senegal tot aan New York. Ook Van Dis voelt hun „lef” en „energie” en vindt dat Europa bij die „wonderlijke economie” moet willen horen. Toch is daar dan weer die reflex om de ondernemingen van ‘de ander’ tot onvermogen te reduceren: „Ze hebben ontdekt dat schuldgevoelens en slachtofferschap het internationaal erg goed doen.” Maar Van Dis weet best dat het geen slachtofferschap is. Het is strijdbaarheid.

Seada Nourhussen is buitenlandredacteur bij Trouw