Column

Purrels

Een zwarte Subaru Impreza met bodykit – dat zijn spoilers en zogeheten sideskirts waarmee je van een auto een sportschoen kan maken – kleeft al een tijdje aan mijn bumper als ik op een grijze dinsdagochtend een bedrijventerrein oprij. Ik tik kort mijn rem aan om hem te laten schrikken. Het lukt. De man in de Subaru toetert en steekt zijn middelvinger naar me op. Ik steek mijn duim op door het raam dat ik ter voorbereiding op het remmen al had laten zakken. Bestuurders van bumperklevende Subaru’s zijn erg voorspelbaar.

Dan doemt de bouwmarkt waar ik moet zijn op. Boven de manshoge letters van de naam van de winkel verandert de V-vorm waarin een zwerm vogels vliegt in de W van wegwezen. Een aantal opmerkzame vogels moet naar beneden hebben gekeken en gezien hebben wat ik zag; logge, grijze Duplo-blokken op grijze bouwplaten, met als enig lichtpunt de vage schittering in de plassen regen waar de boze Subaru bruusk doorheen sneed. Dit was een dinsdag vermomd als maandag.

Ik stap uit op het parkeerterrein en loop naar de ingang. Er staat een frietkraam, hij is dicht. Voor de frietkraam staan drie picknicktafels met asbakken waar peuken in drijven als scheepswrakken. Verderop stapt de boze man uit zijn Subaru. Hij loopt mank als een piraat. Bij de ingang van de bouwmarkt word ik gelukkig begroet door het vriendelijke gezicht van een plastic reiger. Hij staat naast een plastic vijver waarin plastic eenden drijven rondom een fonteintje dat driftig water spuit. Het tafereel wordt geflankeerd door polyester kerstbomen op repen wollige stof die de associatie met sneeuw moeten opwekken, maar ongetwijfeld minder brandvertragend werken. „HET IS WEER KERSTMARKT!” schreeuwt een bord. Fijn. De bouwmarkt is nagenoeg leeg. De kerstspullen liggen roerloos te wachten op animo, op een mechanische sneeuwpop na. Hij danst uit de maat op de muziek van Sky Radio die uit de luidsprekers klinkt.

Als ik vergaard heb wat ik nodig heb, loop ik naar de kassa. Daar blijken alleen de wandpluggen te scannen. Voor de boormachine en de kattenbakkorrels moet de kassadame even bellen. „Ik heb hier een mevrouw die wil litter purrels, maar hij scant niet.” … „Nee, PUH-RELS. Gewoon P, E, A, R, L, S. Purrels. Staat een witte kat op met een halsbandje.” … „Nee, witte kat, blauwe ogen. Zak van 7,6 liter.” … „Ja, met een halsbandje. Hij loenst een beetje.”

Het leven is een aaneenschakeling van dit soort momenten, met af en toe iets afschuwelijks of iets aangenaams ertussen om het interessant te houden. Ik bedenk dat ik niet dood wil op een dag met plastic reigers en loensende katten. Dan komt de boze man eraan met zijn slepende been, onder zijn arm draagt hij een wc-bril. Dat verklaart een hoop.