Op de Noordpool is geen cultuur. Dat is fijn.

Dichter en acteur Ramsey Nasr, winnaar van de Louis d’Or, reisde een paar keer naar het poolgebied en zag dat hij niet belangrijker is dan plankton. „Ik ben niet nederig van nature, dat mag je best opschrijven.”

Tekst Herien Wensink Foto’s Andreas Terlaak

Hij verontschuldigt zich uitvoerig voor de drie minuten dat hij te laat is – hij moest eerst nog een ladder kopen, schroeven, magneetslotjes. En stofzuigerzakken. De aannemer is zijn nieuwe huis aan het „finaliseren”, zegt Ramsey Nasr, en nu wordt hij er voortdurend als een boodschappenjongen op uitgestuurd. „Ik ben alleen maar aan het rennen, terwijl ik aan het schrijven zou moeten zijn.”

Nasr ontving in september de Louis d’Or, de belangrijkste Nederlandse toneelprijs, voor zijn rol als de onbuigzame architect Howard Roark in The Fountainhead, naar de roman van Ayn Rand. Tot de reprise (vanaf 30 oktober) nam hij twee maanden onbetaald verlof bij Toneelgroep Amsterdam. Hij maakte twee reizen, naar Spitsbergen en Groenland. Nu werkt hij aan het driedelige reisverslag dat deze maand gepubliceerd wordt op De Correspondent en aan een nieuwe monoloog voor TA, De andere stem.

Ramsey Nasr (41) is een kameleon van de kunsten. Als het publiek hem net kent als dichter, keert hij terug naar zijn eerste liefde: het theater. Hij is schrijver, essayist, acteur, regisseur, librettist en vertaler. Daarnaast verschijnen op opiniepagina’s bevlogen stukken over actuele kwesties.

„Het is verschrikkelijk dat mensen door oorlog van huis en haard worden verdreven. En het is verschrikkelijk hoe bange burgers in Oranje en Woerden daarop reageren. Maar ik zie ook iets moois gebeuren. Veel meer mensen nemen het op voor de vluchtelingen, helpen mee, willen dat ze zich hier welkom voelen. Daarvan krijg ik tranen in mijn ogen.”

De architect die hij speelt in The Fountainhead is een onbarmhartige egoïst. Collegialiteit, vriendschap, overleg, compromis – het komt in zijn vocabulaire niet voor. Hij leeft uitsluitend voor zijn artistieke visie. Dat zijn ontwerpen meedogenloos, onbewoonbaar en onverkoopbaar zijn, kan hem niet schelen. De kunst staat voorop, verder is er niets. Nasr moest loskomen van dat personage, zei hij bij de uitreiking van de Louis d’Or. Los van dat „krachtige, zwarte ideaal”.

Om zijn personage geloofwaardiger neer te zetten leerde hij architectonisch tekenen, en volgde een strikt dieet en intensief sportschoolregime. „Roark kan tekenen en ziet eruit als een jonge god. Dat moet ik dus zo goed mogelijk simuleren. Als je een architect speelt, is het belachelijk om geen enkele tekening te maken op toneel. Dat is mijn eer te na.”

En daarbij, laten we dat vooral niet vergeten: het is leuk. Nasr: „Het is de droom van iedere acteur om af te zien voor een rol. Dan zeggen mensen: Gut, die is afgevallen, of die heeft helemaal speciaal piano leren spelen! Dat is driekwart van je Oscar, snap je? Daarbij, ik parafraseer, maar de eerste zin in het boek is: ‘Howard Roark staat naakt op een rots’. Toen ik dat las, dacht ik: O. Ja, dan voel je bepaalde regiekeuzes aankomen. Roark is zo’n man die kleren niet lekker zitten, dat is te gecultiveerd, te netjes. Niet dat hij een nudist is, maar een soort natuurkracht is-ie wel. En ik had dertien jaar alleen maar achter een laptop gezeten.”

In twee maanden tijd bereikte Nasr een subtiele doch overtuigende fysieke transformatie. „Rand omschrijft Roark als ‘atletisch’. Dat wilde ik op z’n minst aannemelijk maken.” De espresso macchiato die hij bestelt wil hij bij nader inzien dus liever zonder melk: over een week moet hij weer net zo ‘in shape’ zijn als Howard Roark.

Hij was vereerd met zijn bekroning, een jaar na zijn terugkeer naar het toneel. Maar het was vooral bijzonder om die prijs voor de rol van Roark te krijgen, zegt hij. „Dit personage is mij bij uitstek dierbaar. Roark heeft mij niet zozeer gevormd, dat zou treurig zijn op je veertigste, maar hij heeft zich wel stevig verankerd in mijn geweten. Hij is een stem geworden in mijn leven, in mijn hoofd.”

Howard Roark belichaamt het controversiële libertaire gedachtegoed van Ayn Rand. Waarom spreekt hij je zo aan?

„Hij is een onmogelijke figuur, volstrekt ongeschikt voor relaties. Je kunt met hem geen samenleving opbouwen. Zo ben ik hopelijk niet en zo wil ik ook niet zijn. Maar zijn compromisloosheid in het denken over kunst spreekt mij aan. In de kunst is wat meer van zijn idealisme wenselijk, ja, zelfs verplicht. Het debat wordt geregeerd door rendementsdenken. Kunstenaars moeten zelf meer eigen geld generen, de band met het publiek aanhalen, natuurlijk. Maar ons blind staren op volle zalen en succes is fataal. Kunst gedijt bij experiment en risico.

„Misschien moeten we, net als Howard Roark, wat meer staan voor wat wij willen, ongeacht wat het publiek of de politiek er van vindt. Ook, of juist, als dat irriteert, verwart, ontwricht. Dat vond ik al, maar sinds ik Roark in mij meedraag vind ik het makkelijker om dat ook te zeggen.”

In mei schreef Nasr een opiniestuk in deze krant waarin hij zich uitsprak tegen het rendementsdenken dat de kunst en de academische wereld gijzelt. Kunst heeft geen nut, schreef hij, maar „reikt ons een parallelle wereld aan, met fictieve mensen, een taal die niet langer functioneert zoals we dat gewend zijn, met nieuwe klanken, nieuwe beelden. Het maakt onze wereld groter en verwarrender.”

Als Dichter des Vaderlands had je een vanzelfsprekend platform om je enthousiasme of onvrede te uiten, mis je dat?

„Nee, want die uit ik op veel verschillende podia. Ik schreef een gedicht over Van Gogh voor de tentoonstelling Munch : Van Gogh. Daarvoor heb ik me door duizend pagina’s van zijn brieven geworsteld, geen straf overigens. Ergens schrijft hij dan dat de schilderkunst op kosten van de maatschappij bedreven zou moeten worden. En dat hij zich niet wil aanpassen aan de smaak van ‘neukepietjes’, zo noemt hij de brave burgerman, die verlangt dat kunst esthetisch en realistisch is.

„Die uitspraken zijn nu ook nog geldig, dus verwerk ik die in mijn gedicht. Ik vind ze schrijnend, want Nederland maakt big business van Van Gogh. Nu is hij onze nationale trots, maar toen vielen de tanden uit zijn mond. Hij verkocht in zijn leven wel geteld één schilderij, aan zijn broer. Willen we dat, kunstenaars met wie we een eeuw later pronken zo laten verkommeren? Of gaan we er iets aan doen?”

Wat zouden we dan moeten doen?

„Blijf de Rijksacademie subsidiëren. Daar kunnen de Van Goghs van morgen ontstaan.”

Je bent wel eens een activistisch dichter genoemd. Of zelfs activist.

„Dat vind ik verschrikkelijk, ik háát activisme. Nee, dat zeg ik verkeerd: ik bewonder activisten, maar ik ben zelf niet het type. Ik heb niet de ambitie een moreel kompas te zijn, of een missionaris. Ja, ik heb me in het verleden geregeld uitgesproken over het Midden-Oosten, mijn vader is Palestijns, en het escalerend geweld daar baart mij nu ook zorgen. Daar schrijf ik opiniestukken over. Maar ik hou me in: ik probeer mezelf niet te veel te herhalen.”

Je gold als een uitgesproken politieke Dichter des Vaderlands.

„We maakten in die periode de opkomst van Wilders mee, de totstandkoming van het gedoogkabinet, en ik vond dat ik me daarover moest uitspreken. Maar tot aan mijn tweede bundel, Onhandig Bloesemend, gold ik gewoon als liefdesdichter.”

Hoewel hij geen missionaris wil zijn, werpt Nasr zich vaak op als ambassadeur: van de kunst, van de poëzie en van de wetenschappelijke poolexpedities waar hij zo liefdevol over schrijft. „Van alle stoffige hoekjes van onze samenleving”, lacht hij.

Door toeval werd hij ‘poëtisch correspondent’ van poolexpedities. In 2007 ging Nasr mee met de Universiteit Antwerpen, een „heel ingrijpende reis. Je sjouwt je eigen eten, moet eindeloos lopen, je slaapt in tenten en ’s nachts sta je op wacht vanwege de ijsberen. We hadden twee geweren en een alarmpistool mee.”

Toen NRC Handelsblad in 2010 een reis organiseerde naar Spitsbergen, bood Nasr zichzelf aan als verslaggever. Bij het Nederlandse poolstation in Ny-Ålesund leerde hij brandgansonderzoeker Maarten Loonen kennen, met wie het klikte. „Ik heb Maarten toen gevraagd: als je nog eens een domme dichter nodig hebt om klusjes te doen, hou ik me aanbevolen.”

In 2013 deed die kans zich voor, en hij ging: brandganzen vangen en ringen, nesten en eieren tellen – in NRC deed Nasr verslag. „Soms ging ik er in mijn eentje op uit, naar een lege hut, uren wandelen verderop. Dan kon ik volledig opgaan in een muisstille, witte wereld, zonder wegen, zonder mensen, met een geweer op mijn rug. Dat was één van de mooiste ervaringen van mijn leven.”

Hoe verklaar je je fascinatie voor de Noordpool, die je ‘wreed’ noemt?

Hij aarzelt. „Het klinkt pathetisch, maar ik wou zeggen: het is het echte leven. Er is geen plek op aarde waar je als mens zo totaal overbodig bent. Je doet er niet toe, sterker: je bent ongewenst. De natuur heeft voorrang. Ik wandelde in Ny-Ålesund langs de kustlijn en belandde in een zwerm Noordse stormvogels, die het strand gebruiken als aanvliegroute. Ze scheerden vlak over me heen, de een na de ander, alsof ik er niet was. Als mens moet je op de Noordpool zo onzichtbaar mogelijk zijn; eigenlijk moet je verdwijnen. Alles wat je dacht te kennen, wordt volstrekt ondersteboven gekieperd.”

Waarom zoek je dat op?

„Je staat te schitteren op een podium – en dat bedoel ik ironisch; je staat in de spotlights en denkt dat je het toppunt van de schepping bent, niet zomaar een mens, want dat is al top of the bill, maar óók nog eens een kunstenaar. Maar op de Noordpool ben je niks, onderdeel van de voedselketen. Je bent niet belangrijker dan plankton, of een ijsbeer.

„Die nederigheid zoek ik in mijn leven. Ik ben niet nederig van nature, dat mag je best opschrijven. Maar ijdelheid en zelfvoldaanheid zijn neigingen die ik wil bevechten, omdat ik denk dat je daar een aangenamer mens van wordt. De Noordpool breekt je ijdelheid af, en verwoest je ego. Dat geeft rust en het lijkt me gezond.”

En er is nog iets, zegt Nasr, zoon van een islamitische vader en een rooms-katholieke moeder, geen van beide praktiserend: zingeving. „Als je niet in god gelooft, en je wil niet in materialisme of cynisme vervallen, dan is er alleen de evolutietheorie.”

Van een kunstenaar zou je verwachten dat hij in kunst gelooft.

„Natuurlijk, ik klamp me vast aan Mozart. En de tweede symfonie van Mahler, de ‘Wederopstanding’, biedt mij steeds opnieuw een bijna-religieuze ervaring. Als het koor na een uur van muzikale doodsworsteling, vanuit de totale stilte begint te zingen ‘Aufersteh’n, ja aufersteh’n wirst du’ kan ik elke keer wel janken. Niet omdat ik geloof in leven na de dood, maar omdat de kunst dat voor even voorstelbaar maakt. Dat is wat kunst kan doen: de illusie bieden dat er iets méér is, iets anders.

„Maar ook de kunst is niet voor de eeuwigheid. Dat is de grond van de evolutietheorie: het doet er volstrekt niet toe dat wij er zijn. De kans dat wij onszelf binnen nu en vijfduizend jaar kapot maken is groot. Of er komt nog zo’n meteoriet als waardoor de dinosauriërs uitstierven, waardoor wij kleine zoogdiertjes een kans kregen. Hoezeer we ook met onszelf bezig zijn, we zijn niet meant to be, en niet bijzonderder dan een stinkdier of een vlieg. Op de Noordpool ben ik als acteur of dichter volkomen overbodig, maar als mens voel ik me er onderdeel van de evolutie: die oneindige variatie zonder doel. Als je dat eenmaal aanvaardt, kun je schoonheid vinden in belachelijk kleine dingen.”

Zoals wat?

„Zoals mos! Ik vind het fantastisch om met wetenschappers de natuur in te trekken. In mijn Amsterdamse wereldje wordt daar vaak een beetje lacherig over gedaan – woehaha, een paddenstoelenspecialist! – maar ik vind het oneindig fascinerend. Op de laatste reis was een mossenspecialist mee: die man zit de hele dag op z’n knieën nieuwe mossen te ontdekken. Op zeker moment duwt hij mij een piepklein loepje in mijn handen, zoals postzegelverzamelaars ook gebruiken. Dus ik bekeek een onooglijk stukje mos, tussen duim en wijsvinger, en het was echt Alice in Wonderland. Ik zag een enorm bos, totaal raar, met het zonlicht oneindig uitvergroot; schitterend. Voortaan ga ik alles door zo’n loepje bekijken.”

Er is verbeelding voor nodig om in mos een sprookjeswereld te zien.

„Ja, dat is geloof ik ook de reden dat zij graag kunstenaars mee willen op die reizen: dat iemand behalve de wetenschappelijke waarde een ander soort schoonheid ziet in hun onderzoek, en aanstekelijk over die wereld kan vertellen.”

Zijn debuutroman, waar hij steeds niet aan toekomt – hij is nu op ‘tweederde van een eerste versie’ – zal gaan over een poolreiziger, verklapt Nasr alvast.

„Weet je wat ook zo mooi is aan de Noordpool? Er is geen cultuur, geen religie, geen politiek. Dat is fijn als je ontgoocheld bent over wat mensen elkaar om die redenen bereid zijn aan te doen.”

Als Dichter des Vaderlands schreef je kritisch over populistische en nationalistische tendensen in de politiek. Wat voor effect zal de grootscheepse migratie hebben op dat klimaat?

„We kunnen de wereld niet meer de rug toekeren, dat staat vast. We hebben landen leeggeplunderd, oorlog gevoerd en handel gedreven met dictators, terwijl het leed op afstand bleef. We hebben het in Syrië totaal uit de klauwen laten lopen, maar dat gaf niet, want wat had dat met ons te maken? Nou, nu komen de mensen uit die landen hier. Let wel: ik zeg niet dat we het zelf veroorzaakt hebben. Maar wel dat het een nieuwe realiteit is, en dat we tot een structurele oplossing moeten komen, want miljoenen mensen zullen blijven migreren.

„Ik vind het stuitend om te zien hoe de besluitvorming over dit vraagstuk wordt gegijzeld door partijpolitiek. Een politicus die beweert dat vluchtelingen hier naartoe komen voor een borstvergroting, is niet meer dan een schoft.

„Tegelijk zie ik overal om me heen hoopgevende kleinschalige initiatieven, grassroots, van mensen die niet meer wachten op de politiek, maar zelf aan de slag gaan. Er ontstaat een nieuwe energie van: ik wil niet verbitterd worden, ik ga iets doen. Dat vind ik aangrijpend.”

Je bent ontgoocheld enerzijds maar optimistisch anderzijds?

„Ik ben het allebei. Als iemand op mij afkomt in een verlaten steeg, denk ik: ojee, ojee, nu ben ik de lul..., OF hij komt gewoon de weg vragen. Naïef ben ik niet, maar ik heb ooit wel besloten: ik wil niet cynisch of bitter worden. Je kunt jezelf voornemen een bepaalde openheid in stand te houden, door je eigen aannames kritisch te blijven bevragen.”