Ode aan mijn juf

De Indonesische bestsellerauteur Andrea Hirata werd toevallig schrijver. Zijn boek De Regenboogbende veranderde het leven op het eiland Belitung.

tekst Melle Garschagen

Foto Basso Cannarsa

Als Andrea Hirata zich even ongemakkelijk voelt, gaat hij lachen, hard en hoog. Om vervolgens een ontspannen antwoord te geven. Waarom het een Nederlandse vrouw is die hoofdpersoon Ikal in Hirata’s bestseller Laskar Pelangi (in het Nederlands vertaald als De Regenboogbende) een uitbrander geeft? Speelt Nederland als voormalig kolonisator van Indonesië een speciale rol in zijn boeken? Weer die lach. En dan: „Ze was in het echt Nederlands, dus ook in het boek. Als ze Japans was geweest, had ik haar Japans gemaakt.” Hij kijkt met een blik die zegt: ik kan er ook niks aan doen dat jullie bij vlagen onbehouwen en dominant zijn. „Ik had niet de intentie om daar een punt mee te maken.”

De deels autobiografische roman De Regenboogbende is met vijf miljoen officiële exemplaren en miljoenen illegale kopieën het best verkochte literaire werk in Indonesië. „Het was nooit mijn doel schrijver te worden”, zegt Andrea Hirata in zijn geboortedorp Manggar op het Indonesische eiland Belitung. „Het was toeval.”

De 38-jarige auteur is net terug van het vrijdagmiddaggebed. Onder zijn sarong draagt hij felrode sneakers. Op zijn hoofd geen peci, het traditionele mutsje dat islamitische mannen naar de moskee dragen, maar een Franse alpinopet. Om zijn nek een leren veter met een medaillon van een olifant. Hij is aangeschoven aan een laag koffietafeltje op de veranda van het Andrea Hirata-museum. Een eigen museum; zo’n status heeft Hirata dus al in Indonesië.

Hirata noemt het toeval, maar je kunt het gerust een wonder noemen. Net zoals de kinderen in De Regenboogbende groeide hij op in armoede, zonder boeken, zonder televisie, zonder het idee dat hij ooit iets betekenisvols kon bereiken. Totdat hij als basisschoolleerling op een plattelandsschool les kreeg van een jonge docente, de 15-jarige Ibu Muslimah Hafsari, door hen Ibu Mus genoemd. Zij inspireerde hem. Hirata ontdekte dat hij niet dom was en wel degelijk wat kon bereiken.

Met beurzen studeerde hij bedrijfseconomie aan de hogeschool in Groningen, in Parijs en in Engeland. In 2004 werkte Hirata nog als bedrijfskundige voor het grootste Indonesische telecombedrijf. „Toen de tsunami in december Atjeh verwoestte, had ik geen geld om te doneren. Ik ben toen drie weken vrijwilligerswerk gaan doen in Atjeh. Ik zag daar leerlingen die ronddoolden op zoek naar hun leraar. En leraren die zochten naar hun verdronken leerlingen. Zo veel scholen waren verwoest. Op het vliegveld zag ik een meisje met een spandoek. ‘Geef niet op, ga naar school’, stond er op. Het meisje droeg een hoofddoek. Ze was jong. Ze deed mij denken aan Ibu Muslimah. Toen ik weer in Jakarta was wilde ik een ode over en aan haar schrijven. Voordat ik het wist had ik een roman van zeshonderd pagina’s.”

Het verhaal over de jeugd van Ikal en zijn vrienden op een arme basisschool op het Indonesische eiland Belitung is voor veel Indonesiërs herkenbaar. De vriendengroep is straatarm, zoals miljoenen Indonesiërs. Ze worden uitgebuit, zoals miljoenen Indonesiërs. En ze worden onderdrukt door het repressieve regime van autocraat Soeharto – miljoenen Indonesiërs hebben dat meegemaakt. Toch leven ze, leren ze, worden ze verliefd, slagen ze en falen ze, zoals miljoenen Indonesiërs.

In De Regenboogbende steekt de islamitische Ikal op een gammele fiets wekelijks het eiland over om schoolkrijt te kopen van zijn grote liefde, de Chinees-christelijke A Ling. De roman vat zo, in het verhaal van een groep kinderen, de problemen samen van de tegenstellingen, geschiedenis en pracht van Indonesië. Ze kennen elkaar van school, een school zo arm en gammel dat „als twee bezeten geiten, klaar om te paren, er tegenaan stoten, alles zou instorten”.

De Regenboogbende werd een bestseller. De verfilming is een van de populairste Indonesische films ooit. Had u dat ooit verwacht?

„Het is een wonder dat mijn schrijven overstijgt. De film verscheen in september 2008. Het lot van dit eiland is toen veranderd. In één maand steeg het aantal toeristen met 1.800 procent. Toeristen komen nu naar de prachtige stranden die in de film te zien zijn. Nu is er voor inwoners een andere manier om geld te verdienen dan mijnbouw.”

Uw boek heeft een warme toon, alsof u op een fijne jeugd terugblikt. Toch gaat het om armoede en is het einde somber.

„Zo is het leven. Lintang, een van de goede vrienden van hoofdpersoon Ikal, is de briljantste leerling van de klas. Maar hij eindigt als chauffeur omdat hij na de dood van zijn vader zijn opleiding niet kan afmaken. Hij moet werken. Zo werkt armoede. Armoede is onrechtvaardig, sleurt je naar beneden. Daar wilde ik over schrijven. Wij waren als uitgehongerde muizen in een schuur. De helft van de schuur ligt vol rijst, maar wij zitten achter een onneembaar hoge muur; we ruiken de rijst maar kunnen er niet bij. Belitung is een van de rijkste eilanden van de wereld, zo veel tin zit er in de grond. Maar de bewoners zijn arm. Ik ben het product van een oneerlijk behandelde en onderdrukte klasse.”

U beschrijft hoe lokale bewoners door het mijnbouwbedrijf worden onderdrukt. U noemt dat een feodaal stelsel en zegt dat dat een erfenis is uit de koloniale tijd. Is dat nog steeds het geval?

„Twee kilometer hier vandaan stond een muur. Achter de muur lag het hoofdkantoor van het staatsmijnbouwbedrijf, inclusief school en woningen voor de werknemers uit Java. Achter de muur droeg men mooie kleren, had de school boeken en lekten de daken niet. Wij mochten daar nooit komen, zelfs niet als onze vlieger in hun tuin belandde. Die scheiding lijkt op de manier waarop de Nederlandse kolonialen de macht behielden, de bevolking bewust dom hielden en uitsloten. Het Nieuwe Orde-regime van Soeharto hanteerde dezelfde tactieken. Nu is het feodale systeem op zijn retour en hebben we meer democratie. Of dat beter is? Sommige culturen hebben wat feodalisme nodig.”

Wat bedoelt u?

„Onder Soeharto was de tinwinning op Belitung in handen van de staat. Zij hadden het monopolie. Als de politie of het leger iemand betrapte op illegale tinwinning kon die ter plekke worden doodgeschoten. Zelf naar tin zoeken was een subversieve daad. Sinds het aftreden van Soeharto in 1998 en de komst van democratie is de mijnbouw vrijgegeven. Ik zie de verbetering niet. Nu iedereen naar tin mag zoeken, hebben wij last van de uitwassen van de mijnbouw, zoals prostitutie, drugsverslaving en leerlingen die school verlaten omdat ze meer geld kunnen verdienen in de mijnen. Dat was vroeger nooit zo. In zekere zin zijn we nog steeds straatarm. Het is de vraag waar Indonesië al tweehonderd jaar mee worstelt: is onze rijkdom aan tin, steenkool, goud, zilver, ijzererts niet een vloek?”

Dat hangt af van hoe bekwaam de leiders zijn die bepalen wat er met die rijkdommen gebeurt.

„Ha! Jij bent niet opgegroeid in een dictatuur. Ik denk dat geen enkele Indonesiër van mijn leeftijd politici vertrouwt.”

Hirata laat in De Regenboogbende duidelijk merken dat hij een lage dunk heeft van mannen met macht. De ambtenaar van het ministerie van onderwijs probeert het hele boek door de arme dorpsschool te sluiten. Kucai, het jongetje dat tot klassenhoofd wordt verkozen, heeft een te groot hoofd, haalt lage cijfers maar is toch verwaand. „Kijk nu naar hem – hij, van wie wij altijd aannamen dat hij de domste was – is de enige die zijn dromen had bereikt”, schrijft Hirata. Kucai schopt het tot parlementslid.

Dat de kinderen – zonen en dochters van straatarme koelies, Maleiers en vissers – überhaupt een opleiding kregen, is te danken aan Ibu Mus, het vijftienjarige meisje met een hoofddoek zo wit als een lelie en kleren die naar vanille ruiken. Zij geeft wiskundeles met houten takjes die gebruikt worden als telraam. Drie takjes plus drie takjes zijn zes takjes.

Ibu Mus laat zich leiden door het belangrijkste principe van de Muhammadiyah, een Indonesische islamitische maatschappelijke beweging met circa 30 miljoen leden die scholen en ziekenhuizen bestiert op plekken waar de staat faalt. Doe wat goed is, voorkom kwaad, is het principe. „Die woorden stonden geëtst in onze ziel en bleven daar op onze hele reis naar volwassenheid. We kenden ze als de rug van onze handen”, schrijft Hirata over het mantra van de Muhammadiyah. Godsdienstleer is de belangrijkste les op de Muhammadiyah-school waar De Regenboogbende zich afspeelt. Tijdens die lessen botst Ibu Mus met Mahar, de jongen die in de ban raakt van het sjamanisme. Het is de enige keer dat in De Regenboogbende de lerares die de klas aanbidt en door de klas aanbeden wordt, serieus ruzie maakt met leerlingen.

Waarom was het conflict tussen de islam en het occulte zo belangrijk?

„Wij, de bewoners van dit eiland, zijn spirituele mensen. Iedere dag is er strijd tussen cultuur en religie. Het belijden van een geloof en tegelijkertijd leven in een occulte cultuur is zoeken naar een balans. Dat is soms moeilijk. Je kan cultuur niet uitvlakken.”

U laat een groep kinderen liefde voor de wetenschap ontwikkelen op een religieuze school. Expres?

„Ik schrijf gewoon hoe het was. Er zijn zo veel grote islamitische wetenschappers geweest. Natuurlijk gaan die twee samen. Islam heeft veel gezichten. Ik ken het als een vredelievend en meedogend geloof. Als ik het nieuws kijk en zie wat er in het Midden-Oosten gebeurt, heeft dat voor mij niks met islam te maken. Op onze Muhammadiyah-school was een van de leerlingen, A Kiong, een christelijke Chinees. Dat is de islam die ik ken.”

Wat betekent wetenschap dan voor u?

„Toen ik in Groningen, Parijs en Sheffield studeerde, heb ik er een punt van gemaakt af te studeren als Master of Science in Economics en niet als Master of Arts. Ik wilde per se die titel als wetenschapper hebben. Wetenschapper zijn is voor mij een tweede identiteit. Het stelt mij in staat methodologisch onderzoek te doen voor mijn boeken. Zo ben ik gefascineerd geraakt door het werk van Hofstede.”

Wat heeft een Indonesische auteur aan het werk van Geert Hofstede, een Nederlandse hoogleraar die onderzoek deed naar bedrijfscultuur?

„Ggggggggeeert. Zo spreek je het dus uit. Niet Heert maar Gggggeeert. Ik ben verliefd op zijn onderzoek naar de cultuurverschillen bij de verschillende landenkantoren van IBM. Hofstede dacht na over hoe verschillende culturen omgaan met hiërarchie en individualisme. Op basis van zijn theorie heb ik een vragenlijst gemaakt voor mijn dorp. Zo ben ik te weten gekomen dat wij als Maleiers, de grootste en overwegend islamitische bevolkingsgroep in Indonesië en Maleisië, zeer feminien zijn. Wij zijn sceptisch over alles en moeilijk te overtuigen. Wat wij zeggen en wat wij doen is zeer verschillend. Als wij iemand niet aardig vinden, zullen wij dat nooit direct laten merken. Die uitkomsten heb ik verwerkt in Ayah, mijn nieuwe boek over de relatie tussen vaders en zonen.”

In het Andrea Hirata-museum is een vrolijke tentoonstelling te zien van de tientallen vertalingen van De Regenboogbende, inclusief de Engelstalige drukproef met pinnige opmerkingen van zijn redacteur. Aan de muur ook zinsneden, posters en foto’s van beroemde schrijvers: Orhan Pamuk, J.K. Rowling, Paulo Coelho, Ray Bradbury.

In Europa zou de bonte verzameling nauwelijks bekijks trekken, maar wereldliteratuur op het Indonesische platteland is uniek. Een tiental bezoekers ziet Hirata zitten in zijn eigen museum. Hij moet op de foto. „Alles om de literatuur te stimuleren”, zegt Hirata. „Ga naar een Indonesische boekhandel en je ziet het probleem. Indonesiërs hebben een aparte smaak. Islamitische boeken zijn het populairst. Daarna de how to-boeken. Hoe word ik rijk zonder te werken? Hoe heb ik meerdere vrouwen en kom ik toch in de Hemel? Onderaan komt literatuur.”

Hoe komt dat?

„Europa en de Verenigde Staten hebben een leescultuur die ouder, vrijer en beter geworteld is dan hier. Een groot deel van onze cultuur bestaat uit gedichten voordragen, verhalen vertellen. Daardoor konden wij geen weerstand bieden aan de invasie van Japanse televisietoestellen. Iedere dag kijken zeventig miljoen Indonesiërs televisie. Maar tijden veranderen. Nog nooit zijn er zo veel literaire titels verschenen als vorig jaar. Indonesië profiteert van een uitstekende demografie. Er zijn nog nooit zo veel jonge mensen geweest in het land. En zij zijn vrij, creatief en ondernemend. Zij willen lezen en zij willen schrijven. Dat is een mooie toekomst.”