Koning bezoekt China, beleid moet Europees zijn

Een van de grote vragen in de internationale politiek is hoe China de komende jaren gebruik zal maken van zijn economische, politieke en militaire macht. Daarbij staat er veel op het spel. Voor China, voor de Aziatische regio en ook voor de rest van de wereld.

Dat de indrukwekkende economische ontwikkeling van het land grote kansen biedt, is al jaren doorgedrongen tot in de verste uithoeken van de wereld. Dat er ook risico’s aan de opkomst van China zijn verbonden begint ook steeds duidelijker te worden.

Andere landen in Zuidoost-Azië bijvoorbeeld zien bezorgd toe hoe China met de aanleg van kunstmatige eilandjes in de Zuid-Chinese Zee probeert zijn territoriale aanspraken kracht bij te zetten. Moeten zij (de buurlanden) en wij (de rest van de wereld) rekening houden met een expansief, of zelfs agressief China?

Het land is niet alleen de tweede economie ter wereld, maar ook een grootmacht met internationale ambities, zeker onder de assertieve president Xi Jinping. In eigen land voert Xi een beleid waarin repressie van burgerlijke vrijheden en het smoren van kritische stemmen een centrale plaats heeft. Dat kan niet worden afgedaan als een helaas nog wat achtergebleven aspect van de voor het overige onstuitbare modernisering van het land. Het is een politieke keuze, waarmee de leiding in Beijing laat zien door welke waarden zij zich laat leiden. Het voorspelt weinig goeds voor de manier waarop China invulling wil geven aan zijn rol op het wereldtoneel.

Tegen die achtergrond is het zorgwekkend dat westerse democratieën China daar steeds minder duidelijk op aanspreken. Ze hebben in de loop der jaren formules en procedures ontwikkeld om de mensenrechten wel aan de orde te stellen, maar op zo’n discrete danwel algemene manier dat het vruchtbare gesprekken over andere onderwerpen niet belemmert en de Chinese leiders rustig kunnen doen alsof ze niets gehoord hebben.

Tijdens het staatsbezoek dat koning Willem-Alexander en koningin Máxima vanaf zondag tot donderdag aan China brengen, zal aan de mensenrechten „vanzelfsprekend” aandacht worden besteed, zei minister van Buitenlandse Zaken Koenders eerder deze maand. De minister had de kwestie onlangs ook zelf aan de orde gesteld bij een bezoek aan Beijing, en in Den Haag was er zelfs twee dagen over gesproken met een Chinese delegatie met afgevaardigden van de Communistische Partij, het Volkscongres, het ministerie van Openbare Veiligheid – en niet te vergeten de speciale Chinese vertegenwoordiger voor de mensenrechten.

Of opgesloten dissidenten en journalisten in China daar iets aan hebben, is de vraag. Maar een individuele regeringsleider, of koning, zal de Chinese leiders met openlijke kritiek ook niet bekeren tot de principes van de rechtsstaat en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.

Veel effectiever zou het zijn als de westerse democratieën China hierop gezamenlijk zouden aanspreken. Dat zou het voor Beijing veel moeilijker maken de schouders op te halen. Maar de Europese landen, en ook de Verenigde Staten, zijn allemaal te sterk gericht op hun eigen economische banden met China.

Dat is niet alleen nadelig voor het mensenrechtenbeleid. Die onderlinge verdeeldheid geeft China ook in de economische relaties de overhand ten opzichte van de meeste Europese handelspartners. Een gemeenschappelijke Europees China-beleid is dus om meerdere redenen nuttig en nodig, juist nu China zich als grootmacht aan het ontplooien is.