Informeel en competitief

Nederland geldt in Zweden als ‘raadsel’, met hoge opbrengsten van relatief weinig geld voor wetenschap. Elk land heeft zijn eigen mix.

Het onderzoeksbudget van universiteiten, universitair medische centra en hbo’s in Nederland is tussen 1995 en 2013 met gemiddeld bijna 5 procent per jaar gestegen, naar 4 miljard euro.

Is dat veel?

In menig Europees land is het nog harder gegaan. Dat blijkt uit cijfers van de OESO, de Organisatie voor Europese Samenwerking en Ontwikkeling. In de periode 2002-2013 groeiden de uitgaven in Denemarken procentueel het meest, met gemiddeld bijna 9 procent per jaar. Ook in Ierland, Zwitserland en Noorwegen ging het hard (een gemiddelde van respectievelijk 8,6, 8,3 en 8,2 procent per jaar). Nederland komt op deze lijst pas op de elfde plek. Minister Jet Bussemaker (PvdA) van Wetenschap schreef daarom afgelopen november in haar Wetenschapsvisie 2025 dat Nederland achterop dreigt te raken.

Is dat zo? Gemeten per hoofd van de bevolking doet Nederland het al een stuk beter, dan komt het op plek zes. Op deze lijst staat Zwitserland bovenaan, gevolgd door Denemarken en Zweden.

En dan komt de vraag op of landen onderling wel te vergelijken zijn op basis van die OESO-cijfers. Volgens Ben Jongbloed van het Center for Higher Education Policy Studies aan de Universiteit Twente zitten er wel haken en ogen aan. De manier waarop landen hun data verzamelen verschilt. Bovendien zijn er verschillen tussen landen in de verhouding van r&d aan de universiteiten en aan onderzoeksinstituten – en die laatste zitten dus niet bij de hiervoor gegeven cijfers. Maar volgens Van Steen van het Rathenau Instituut zijn de OESO-cijfers voor hoger onderwijs niettemin „de best vergelijkbare gegevens die we hebben.”

En er is nog een grotere vraag. Zijn de investeringen wel maatgevend voor de prestaties? Zweden, dat veel meer aan universitair onderzoek uitgeeft dan Nederland, maakt zich bijvoorbeeld ernstig zorgen over de achterblijvende internationale impact van zijn onderzoek. De Zweedse Akademie van Wetenschappen sloeg er drie jaar geleden alarm over. In een rapport vergeleek ze Zweden met vier voorbeeldlanden: Denemarken, Finland, Nederland en Zwitserland. Nederland werd in het rapport „een enigma” genoemd. Met betrekkelijk beperkte middelen scoort Nederland toch erg hoog. Hoe kan dat? In ieder geval zegt het kale bedrag dat naar onderzoek blijkbaar niet alles.

Dat blijkt ook uit de verhoudingsgewijs vele subsidies die Nederland uit Brussel haalt. Bijvoorbeeld aan zogeheten ERC-grants, de prestigieuze subsidies voor individuele toponderzoekers. „Nederland doet het zo slecht helemaal niet”, zegt hoogleraar Van Bochove van de Universiteit Leiden.

Voor Ben Jongbloed is Nederland niet zo’n raadsel. Het heeft een lange traditie van openheid. Organisaties zijn vrij plat, niet hiërarchisch. Nederlanders spreken hun talen, werken makkelijk samen, en hebben tegelijk een cultuur van presteren. „Een vruchtbare mix van competitiviteit en informaliteit”, zegt Jongbloed.

Toch pleiten onderzoekers voor een groter onderzoeksbudget. Ook omdat al die nieuwe kennis op langere termijn bijdraagt aan economische groei. Maar is dat wel zo? En hoeveel dan? Er is nog amper onderzoek naar gedaan, zegt Bart Verspagen, hoogleraar internationale economie aan de Universiteit Maastricht. Hij heeft er recent wel aan gerekend, samen met het Centraal Planbureau. Het rapport komt binnenkort uit. De uitkomst, wil Verspagen al wel verklappen, hangt van de gekozen rekenmethode af. De kern is: ga je er van uit dat een publieke onderzoekseuro in het ene land meer op kan brengen dan in het andere, of niet. Doe je dat wel, dan is er inderdaad een „significant positief effect” van publieke r&d op economische groei. „En het is zeer waarschijnlijk dat die verschillen in rendement tussen landen weer gedeeltelijk worden beïnvloed door het nationale beleid”, zegt Verspagen voorzichtig.

Maar wat is dan goed beleid, en wat slecht? Tja, zegt Verspagen, dat is iets voor vervolgonderzoek.

Ook Jongbloed zegt dat elk land zijn universitaire onderzoeksubsidies op zijn eigen, specifieke manier verdeelt. Publiek versus privaat geld. Meer of minder projectsubsidies. Historie en grillige politieke winden zijn hierop van invloed. Jongbloed: „Elk land heeft zijn eigen mix, maar wat de ideale mix is, weten we niet.”