Het wordt niet alleen maar minder

In de strijd om kennis dijt het onderzoek alsmaar uit. Het optimum is niet bekend.

Het wordt alleen maar minder in Nederland. Je hoort het wetenschappers vaak zeggen. Neem de overheidsinvesteringen in onderzoek. „Het is echt armoedig aan het worden”, zei voormalig president Hans Clevers van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) vorig jaar tegen deze krant.

Of neem de ruimte voor vrij onderzoek, héél belangrijk. „Steeds minder kunnen wetenschappers hun nieuwsgierigheid volgen”, zei José van Dijck afgelopen maart bij haar aanstelling als de nieuwe KNAW-president. „Als ik iets zou willen veranderen is het dat wel.”

Maar klopt dat? Staat het onderzoek aan de Nederlandse universiteiten er inderdaad zo belabberd voor? Hoe vrij zijn onderzoekers nog?

In de hoop antwoorden te krijgen zijn er cijfers verzameld, is er gesproken met deskundigen en zijn de dertien universiteiten in Nederland benaderd om data aan te leveren.

En de conclusie? De cijfers zijn soms goed te interpreteren, maar vaak ook lastig. Deskundigen zitten soms op één lijn, maar spreken elkaar ook tegen. En misschien nog wel het treurigst: de meeste universiteiten kunnen of willen geen gedetailleerde cijfers geven.

Wat de cijfers in ieder geval laten zien is dat de wetenschappelijke staf aan de universiteiten de afgelopen vijftien jaar flink is gegroeid, met name het aantal promovendi en postdocs. Van krimp is in geen enkele wetenschappelijke sector sprake. Ook het totale bedrag aan onderzoeksfinanciering is alleen maar toegenomen, óók als het wordt gecorrigeerd voor inflatie. En omgerekend is ook het gemiddelde bedrag per wetenschapper gegroeid. „De cijfers stroken niet met het sentiment onder academici”, zegt Barend van der Meulen, hoofd van de afdeling Science system assessment van het Rathenau Instituut in Den Haag.

Evenmin geven de cijfers een verklaring voor de zorgen die er de laatste jaren zijn over de alfa- en gammawetenschappen. Die doen het helemaal niet zo slecht. Hun aandeel in de totale investeringen is constant gebleven. Relatief het meest gekrompen is het aandeel van de sector ‘techniek’. Het meest gegroeid dat van de sector ‘gezondheid’.

Wel is duidelijk dat het onderzoeksbudget in Nederland traag is gegroeid, tenminste vergeleken met landen als Denemarken, Zwitserland en Zweden. De vraag is: hoe erg is dat? Zweden bijvoorbeeld investeert beduidend meer, maar toch blijft de internationale impact van het onderzoek daar achter bij die van concurrenten als Denemarken en Nederland. Het geïnvesteerde bedrag alleen zegt niet alles over daadwerkelijk wetenschappelijk succes. Ook de manier van financieren, en de organisatie van het systeem maken uit. Juist op die gebieden staat Nederland bekend als extreem efficiënt. Een geïnvesteerde euro in onderzoek levert in Nederland erg veel publicaties met een internationale impact.

De manier van financieren van universitair onderzoek is de afgelopen decennia sterk veranderd in de meeste landen, zegt Ben Jongbloed, beleidsonderzoeker bij het Center for Higher Education Policy Studies aan de Universiteit Twente. Dat gebeurde in reactie op grofweg twee trends, zegt hij. De massificatie van het hoger onderwijs, en de intrede van een nieuw bestuursmodel, het new public management.

In de internationale strijd om kennis willen overheden meer hoger opgeleiden. Die zijn er ook gekomen. In Nederland groeit de instroom van studenten nog steeds. Daarnaast groeit ook het onderzoeksysteem. Maar tot hoever moet dat doorgaan? Is er een optimum? En in hoeverre moet de overheid dat bekostigen? De aanhoudende groei zet druk op het publieke budget – er moet ook geld blijven gaan naar zorg, defensie, noem maar op. Universiteiten zijn daarom op zoek gegaan naar andere geldschieters. Het bedrijfsleven, speciale fondsen (denk aan het Kankerfonds), Brussel. Maar dat is allemaal projectgeld: van beperkte duur. Dat heeft op zijn beurt meegeholpen aan de opvallendste trend van de laatste jaren: sterke groei van het aantal onderzoekers op een tijdelijk contract. Dat leidt tot toenemende onzekerheid en frustraties.

Frustraties zijn er ook door de opkomst van het new public management, sinds begin jaren negentig. Publieke organisaties moesten als bedrijven worden gemanaged. Met meer onderlinge concurrentie. En van afstand bestuurd op basis van indicatoren – aantallen afgestudeerden, promovendi, publicaties, contacturen. Dat moet allemaal gemeten worden. Die toenemende bureaucratie frustreert. De werkvloer voelt zich behandeld als drijfvee. Vandaar recente initiatieven als Science in transition en het Platform Hervorming Nederlandse Universiteiten. Die willen dat het roer om gaat. De steeds sterkere, machinale sturing op indicatoren is een dwaalweg geworden: weg met alle perverse prikkels! Het is de kern van het huidige debat: hoe moet de nieuwe universiteit eruit zien?

De toestand is paradoxaal. Universiteitsbesturen, en ook wetenschappers, willen autonomie. Maar het academisch systeem is inmiddels zo uitgedijd dat er tegelijkertijd steeds meer van wordt verwacht. Het moet antwoorden leveren op politieke en maatschappelijke problemen, zorgen voor economische groei, en oh ja, vooral blijven zoeken naar nog niet ontdekte waarheden. Bij voorkeur in internationale samenwerking. Terwijl ook een groeiend deel van het onderzoeksgeld in competitie met anderen moet worden binnengehaald.

Dat is de balanceeract waar de universiteiten nu middenin zitten. Een gouden formule voor succes is er niet.