Column

Goddelijke vlinder

Het treurige bericht over zijn gezondheid maakte van Johan Cruijff ineens wereldnieuws. De hele voetbalwereld haastte zich om de geniale nummer 14 sterkte en beterschap toe te wensen. In de opbeurende woorden klonk ongeremde bewondering door. Niet een requiem.

Het nieuws kwam via de media naar buiten terwijl nog niet alle onderzoeken zijn afgerond. Ongegeneerd werd ook de ziekte bij naam genoemd: longkanker. Ik heb daar moeite mee. Een lichaam in verval voor de leeuwen van de sensatie gegooid – kon het niet even wachten? Tot het slachtoffer zelf het moment had gekozen om een gevoelig stuk van zijn privacy af te staan aan het gemeen. Dit was vuil voyeurisme. Een aanslag op het recht de intieme huls waarin je woont onbelicht te laten. Een nieuwe liefde van een wereldicoon aankondigen: alla. Maar aan longkanker is niets publiek. Al helemaal niet als de dokters nog gaande zijn met onderzoek en vragen over de gepaste behandeling. Pulp is van de buitenkant, niet van de ingewanden van een mens.

Ook perslekken moeten een ethische toets kunnen doorstaan.

Juist Johan Cruijff hield zijn privéleven nukkig afgegrendeld. Familiale intimiteiten kwamen niet uit zijn mond. Uit ervaring weet dat ik dat de laatste dertig jaar niet mocht geschreven worden over vrouw en kinderen, op straffe van een plek op de zwarte lijst. Misschien ook wel om zijn legende intact te houden. Hij heeft me ooit toegegeven dat Danny niet genoeg mysterie kon blijven.

Cruijff kwam uit de tijd toen voetballers nog moeders hadden in plaats van WAG’s. De pulppers had zich nog niet op de achterkant van voetballevens gestort. Zelfs het Nederlands elftal werd nauwelijks opgejaagd met onthullingen over drank en vrouwen. Dat Willem van Hanegem en Truus uit elkaar waren, werd sober en voorzichtig gemeld. Pas later gingen de sluizen van het privéleven open.

De inbunkering van zijn privacy kwam ook voort uit Johans wantrouwig karakter en polemische aanvechtingen. Wie voor Rinus Michels was, kon niet voor Johan Cruijff zijn – dualisme zit hem diep ingebakken.

Dertig jaar geleden rookten we samen een sigaretje in Camp Nou. Hij Camel, ik Belga. Zoals hij de woorden inzoog, zo zoog hij ook de rook in. Gulzig, alsof het een verboden genot was. Ik heb het lange gesprek gisteren opnieuw beluisterd en was weer verrast hoe stoïcijns hij alle persoonlijke vragen weg dribbelde in meesterlijke slaloms. Zelfs zijn golfhandicap moest toen nog geheim blijven. Het had ook iets chics. En het was comfortabel: van een idool wil je niet eens weten hoe hij zijn neus snuit en, zijn sokken aantrekt, laat staan waar het leven pijn doet. Johan Cruijff zien huilen, kan ik niet, zou Jacques Brel zeggen. Ik was eigenlijk blij dat hij het meer over de zielenroerselen van de bal dan van de man had.

In de kranten wordt nu zijn rookgedrag in de verf gezet. Ook privé. Ik ben wel meer verstokte rokers in het voetbal tegengekomen. Marco van Basten, Ronald Koeman, Jan Wouters, Wim Kieft, om er een paar te noemen, zijn me meer dan een pakje verschuldigd.

Bietsers.

Ook iconen worden getroffen door ziekte en verval, door dementie en suïcide. Laatst nog raakte bekend dat Rekordmeister Gerd Müller aan alzheimer lijdt. Maar je gaat er in de publiciteit niet mee aan de haal zolang betrokkenen en intimi zelf niet gesproken hebben.

Ook nog als hij onder een scan ligt, zal ik Johan Cruijff altijd als een goddelijke vlinder blijven zien met zes versnellingen in de vleugels. En het mooiste vogelkopje.