Familiealbum van een natie

Wie waren de Britten wier portret in de National Portrait Gallery hangt? En wat zegt de manier waarop ze in foto’s en verf zijn vereeuwigd over de kunstenaars en het land?

In een tijd waarin iedereen zich laat fotograferen en het resultaat via sociale media deelt, waarin beeld een politicus of beroemdheid kan maken en breken, en het wegzappen van foto’s de nieuwe manier van afspraakjes maken is, zet de Britse historicus Simon Schama ons met beide benen op de grond. Beeld was altijd al imagobepalend, zegt hij in zijn nieuwe boek The Face of Britain.

Zie de mannen achter Elizabeth I (1533-1603). Een effectieve regering én het vinden van een geschikte echtgenoot hing af van de manier waarop ze werd afgebeeld, beseften ze. In 1563, vijf jaar na haar aantreden, verboden ze het afbeelden van de vorstin totdat een speciale portrettist was gevonden. Waarna „alle andere schilders en gravuremakers naar hun welbehagen het patroon van het eerste portret” konden volgen, en „alle soorten mensen, van adel of niet” een portret konden bestellen.

Het verschil met nu is dat portretten toen werden gemaakt voor het nageslacht. Het ging niet om de vluchtigheid van een glimlach, maar om de blijvende herinnering.

Dat was ook de reden dat Gerlach Flicke een selfie maakte. Rond 1546 belandde de Duitser samen met piraat Henry Strangwish in de Tower. Met behulp van een spiegel schilderde Flicke zichzelf voor zijn vrienden „opdat zij na zijn dood iets mogen hebben dat hen aan hem herinnert”.

De combinatie van al die portretten die door de eeuwen heen zijn gemaakt van bekende en minder bekende Britten is „het familiealbum van onze natie”, schrijft Schama. Ze „tonen wie we zijn, wie we waren”. Zijn boek is dan ook geen geschiedenis van het Verenigd Koninkrijk. Noch ontstaat er een idee over wie dé Brit nu is. The Face of Britain is eerder een verzameling essays over Britse individuen, van wie de beeltenissen in de National Portrait Gallery hangen. Schama is echter een boeiende verteller en maakt van twee dimensies drie. Hij schildert de geportretteerden en de makers als mensen van vlees en bloed.

Vooral over de individuen in het hoofdstuk ‘Face of Love’ weet hij meeslepend te schrijven. Zoals over Sir Kenelm Digby die op een ochtend in 1633 zijn echtgenote Venetia dood aantrof. „Kenelm gaf zichzelf over aan uitbarstingen van zulk gewelddadig huilen dat het gillen en geweeklaag de toonhoogte van een sopraan kreeg”, schrijft Schama. Na twee dagen riep Kenelm de hulp van zijn vriend, hofschilder Anthony van Dyck in. Hij moest Venetia schilderen, alsof ze sliep. Kenelm wilde de „illusie wekken dat Venetia nog leefde”.

Het lukte Van Dyck. Zodanig dat Kenelm het portret ’s nachts op een stoel naast zijn bed had staan, zodat hij een slapende Venetia zag als hij wakker werd. Zo werd afwezigheid aanwezigheid. Een portret als de enige manier om te bezitten.

Over de portretten van politici schrijft Schama in ‘Face of Power’ pakkend over de spanning tussen de geportretteerde en de schilder. „De machtigen hebben een bepaald idee over hoe ze voorgesteld willen worden, hun politieke leven hangt ervanaf.” Maar de schilder heeft óók een idee.

Margaret Thatcher liet Rodrigo Maynuma net zo lang retoucheren tot ze tevreden was. Winston Churchill nam in 1954 op een andere manier wraak: door Graham Sutherland publiekelijk te kijk te zetten, en het schilderij te verbranden.

De druk was groot: het land wilde de man die het land door de oorlog had geleid bedanken met een portret dat volgens Schama „een verheerlijking van het Verenigd Koninkrijk zelf” moest worden: „Het finest hour van de Britten in de vorm van de finest man.”

Churchill, die in 1951 voor de tweede keer premier was geworden, wilde vooral laten zien dat hij nog steeds onmisbaar was, al stonden jongere politici te trappelen het over te nemen. Hem stond een moderne versie voor ogen van het beroemde fotoportret dat Yousuf Karsh van hem had gemaakt in 1941: de Britse buldog. Die wilskrachtige blik was enigszins toevallig. Karsh trof hem nadat hij Churchills sigaar had afgepakt. Uit dezelfde sessie is er ook één waarop Churchill glimlacht, en „waarvan Hitler niet bang geworden zou zijn”, zei hij zelf. In de National Portrait Gallery hangen beide Karsh-foto’s naast elkaar.

Sutherland vatte zijn opdracht in 1954 op als: „zo duidelijk mogelijk schilderen wat ik voor me zie”. Hij had eerder schrijver William Somerset Maugham en krantenuitgever Lord Beaverbrook geschilderd. Churchill wilde hij afbeelden als „een rots”, zei hij. Het werd een schilderij van een verweerde oude man, met een rare blik, het rechteroog half dicht.

Churchill kon de onthulling van het schilderij in het parlement niet tegenhouden. Maar de woorden „dit is een perfect voorbeeld van moderne kunst” deden Lager- en Hogerhuis in lachen uitbarsten. Churchills secretaresse verbrandde het portret in de tuin. Alleen een foto en de Pathé-beelden van de onthulling – met Sutherlands onthutste blik – getuigen dat er ooit een portret was.

Amy Winehouse

Met het thema ‘Face of Fame’, beroemdheid, worstelt Schama. Hij is sterk als het gaat om historische sterren onder wie de zeventiende-eeuwse acteur David Garrick, die als eerste inzag hoe afbeeldingen zijn roem konden vergroten. Of wanneer hij schrijft over de zeevaarder Francis Drake, de eerste beroemdheid die geen monarch of staatsman was, en wiens portretten in de zestiende eeuw voor sensatie zorgden. Of Kitty Fisher, een Kim Kardashian avant la lettre, die halverwege de achttiende eeuw in alle bladen stond. Haar kleding werd geïmiteerd, haar portrethouding – beschaafd én sensueel – gekopieerd.

Maar Amy Winehouse, geschilderd door Marlene Dumas, gaat niet leven. Het is alsof de nabijheid van haar geschiedenis Schama belemmert, alsof hij niet weet of hij haar al kan scharen onder de beroemdheden of vluchtige sterretjes. Dat is jammer. Hij is weliswaar een historicus, maar een familiealbum hoor je niet opeens af te raffelen.

Op de bijbehorende tentoonstelling in de National Portrait Gallery waagt hij zich bovendien wel aan de moderne tijd, erkent hij dat het verhaal van de natie nog niet is afgelopen. Daar hangt onder meer het prachtige Lightness of Being van Chris Levine uit 2007, waarop koningin Elizabeth net even haar ogen sluit tussen twee fotosessies door. Levine vangt – heel zeldzaam – het zelf van iemand die altijd haar publieke personage toont.

En daar hangt ook de meest controversiële Britse beroemdheid van eind vorige eeuw: Diana, prinses van Wales, op de foto die Mario Testino in 1997 voor Vanity Fair maakte, het laatste portret voor haar dood. Het was interessant geweest Schama ook in tekst over haar te horen.