Echt waar: Overal groei

Het sterkst groeide de sector gezondheid. Verliezer is ‘techniek’.

Er gaat steeds méér geld naar onderzoek in het hoger onderwijs. Echt waar. Het Centraal Bureau voor de Statistiek houdt het bij. In 1995 ging het in totaal om 1,7 miljard euro. Twintig jaar later, in 2013, lag dat bedrag op 4 miljard euro. Dat is een stijging van gemiddeld bijna 128 miljoen euro (ofwel zo’n 5 procent) per jaar. Ook als wordt gecorrigeerd voor inflatie is er nog steeds sprake van een fikse stijging.

Kanttekening hierbij is dat het om onderzoeksfinanciering van zowel universiteiten, universitair medische centra en hbo’s gaat – hoewel die laatste maar weinig krijgen. Maar de wetenschappelijke instituten (TNO, RIVM, etc.) zitten hier niet bij. Evenmin de instituten van NWO en KNAW.

De groei is ook terug te zien in de zogeheten onderzoekscapaciteit. Zeg maar, het aantal fte. Die cijfers komen van de Vereniging van Universiteiten. „Dit is de meest consistente bron om ontwikkelingen in het onderzoek bij te houden”, zegt onderzoeker Jan van Steen die bij het Rathenau Instituut al jaren allerlei cijfers over het hoger onderwijs verzamelt.

Het aantal fte onderzoekers aan de universiteiten is gegroeid van 13.629 in 1997 tot 19.904 in 2013. Bij alle zogeheten HOOP-gebieden (er zijn er acht, waaronder ‘gezondheid’, ‘geesteswetenschappen’ en ‘techniek’) is er sprake van groei. En omgerekend blijkt er per onderzoeker gemiddeld ook meer geld te zijn gekomen.

Wel zijn de afgelopen twintig jaar de onderlinge verhoudingen flink verschoven. Gemeten naar fte is het aandeel van de sector ‘gezondheid’ het hardst gegroeid, van 22 naar 31 procent. De sector die zijn aandeel het meest zag krimpen, gemeten in fte, is ‘natuur’. Qua investeringen is juist het aandeel van de sector ‘techniek’ het meest gekrompen.

Hoewel er de laatste jaren veel zorgen zijn over de alfa- en gammawetenschappen, steunen de historische cijfers die zorgen niet. In absolute zin zijn de uitgaven gestegen. En als aandeel van het totale onderzoeksbedrag zijn ze stabiel gebleven – ook als percentage van het bbp. Kanttekening is dat deze cijfers maar tot 2011 gaan.

Om gedetailleerder inzicht in die cijfers te krijgen, is alle dertien universiteiten in Nederland maanden geleden gevraagd cijfers op het niveau van de faculteiten aan te leveren. Dat deden er uiteindelijk maar drie: Groningen, Tilburg en de Universiteit van Amsterdam.

Hoewel de cijfers dus beperkt zijn, geven ze eenzelfde beeld. De meeste groei zit bij geneeskunde – Tilburg heeft deze faculteit niet. Daarna volgen, bij de UvA, de faculteiten Maatschappij- en Gedragswetenschappen, en Geesteswetenschappen. Bij Groningen komt na geneeskunde wat ze betitelen als ‘alfagamma’. Juist het onderzoek in de bètawetenschappen is er amper toegenomen.

Wat zeggen deze cijfers? Zijn er redenen tot zorg?

Dat het aandeel van de sector ‘gezondheid’ zo gegroeid is, noemt Cornelis van Bochove, hoogleraar wetenschapsbeleid aan de Universiteit Leiden, „volkomen begrijpelijk”. Door de opkomst van de moleculaire biologie is er in de geneeskunde zoveel nieuwe kennis te vinden. „Dat gaat op den duur veel opleveren”, zegt hij. Maar Barend van der Meulen van het Rathenau Instituut vindt dat het geld nu wel heel makkelijk naar gezondheid gaat. „Het zet andere faculteiten onder extra druk. Dat moet eens aandacht krijgen.”

Voormalig KNAW-president Hans Clevers heeft vorig jaar al eens opgeroepen om het aantal promoties bij geneeskunde te verminderen. Nu zijn er te veel die alleen worden doorlopen uit carrièreoverwegingen – een promotie op het cv vergroot de kans op een specialistenopleiding. De discussie hierover loopt.

Een andere vraag. Zijn er de afgelopen decennia gaten gevallen in het Nederlandse onderzoekslandschap? Of dreigen die te vallen? De KNAW vreesde ervoor en heeft het door een commissie laten uitzoeken. Nee, gaten zijn er niet, concludeerde ze afgelopen juli. Nog niet. Wel maakt ze zich zorgen over een aantal deelgebieden. Met name de moderne talen. Verder noemde ze zuivere wiskunde, plantkunde en Nederlands recht. Die verdienen volgens de commissie extra aandacht.

Hoe het universitair onderzoeksbudget zich de komende jaren zal ontwikkelen is lastig te voorspellen. Tot 2011 ging er geld uit de verkoop van aardgas naar onderzoek en techniek. Het kabinet Rutte-I besloot om dat te stoppen. Tot 2019 daalt het budget daardoor met enkele honderden miljoenen euro’s. Dat heeft onder academici veel kwaad bloed gezet. Maar, zegt Van Steen van het Rathenau Instituut, de klappen van de bezuinigingen vallen vooral bij instituten als TNO en RIVM. „De universiteiten blijven financieel redelijk gespaard.” Verder zal Nederland de komende jaren veel meer geld uit Brussel halen, waar het r&d-budget fors is gegroeid.

En in 2017 zijn er Tweede Kamerverkiezingen.