Column

Denk toch niet altijd meteen het ergste

Hoe vaak is de Europese Unie al afgeschreven? Eerst zou de eurocrisis haar fataal worden. Toen zou ze de oorlog in Oekraïne worden ingezogen. En nu sommige Europese regeringen vanwege het vluchtelingendrama grenzen dichtgooien, en extreem-rechtse partijen met nationale, on-Europese plannen aan populariteit winnen – nu desintegreert de Unie opnieuw, hoor je zeggen.

Natuurlijk, zulke crises – en een eventuele Brexit nog daargelaten – zijn een serieuze beproeving voor de Europese samenwerking. Ze raken de essentie van het naoorlogse Europa omdat ze de wil van regeringen testen om samen, door geven en nemen, problemen op te lossen. Maar je moet vaststellen: de EU staat nog.

Op sommige terreinen is er zelfs meer Europa gekomen dan velen een paar jaar geleden voor mogelijk hielden: er is nu Europees bankentoezicht, bijvoorbeeld, en landen bemoeien zich intensief met elkaars begroting. Dat moest de euro stabiel maken – iets wat redelijk gelukt lijkt, al is de eurocrisis nog niet helemaal voorbij. De komende tijd kun je iets dergelijks zien op het gebied van asiel en migratie: als Europese landen Schengen – vrij verkeer van goederen, mensen en diensten – willen houden, kunnen ze er geen nationale asielwetjes en -regelingen opna houden, en moeten ze samen beter zorgen voor bewaking van de buitengrenzen. Hoe dit vorm krijgt, is nog onduidelijk.

De laatste jaren is de besluitvorming in Europa wel radicaal veranderd. De traditionele manier, waarbij lidstaten macht overhevelen naar de Europese Commissie, werkt niet altijd meer. Dat gebeurt bij cruciale onderwerpen die tot nog toe in het hart van de nationale soevereiniteiten lagen: de munt, veiligheid, immigratie. Regeringen hebben moeite zulke onderwerpen uit handen te geven. Daarom is het vaak niet Brussel dat harder aan de Europese touwtjes trekt, maar Berlijn. Berlijn betrekt er weer andere hoofdsteden bij. Zo ontstaat een minder centralistisch en minder ‘Brussels’ Europa, dat intergouvernementeel is en Duitsland als trekpaard heeft. Kennelijk is de EU sterker dan velen dachten, en flexibeler: wat linksom niet kan, gebeurt rechtsom.

Het blijft intrigerend dat Europeanen die kracht en die flexibiliteit zo systematisch onderschatten. En dat ze vaak zo pessimistisch zijn. We zijn verwend: we leven op het rijkste continent van de wereld en hebben decennialang geen oorlog meer gehad. Onze pijngrens is vrij laag. Wij houden altijd rekening met het ergste. Bovendien, Europa draait om compromissen. Als 28 landen (of 19, als het om eurozaken gaat) samen beleid moeten maken, komen ze onvermijdelijk uit op een kleine gemene deler. Compromissen horen bij de democratie, maar er is weinig heroïsch aan. Ze hebben soms zelfs iets ontluisterends: het had immers altijd beter gekund. Wie identificeert zich graag met een second best?

De tragiek van Europa, zei de Israëlische filosoof Avishai Margalit onlangs in een lezing over zijn boek Compromissen en rotte compromissen, „is dat het altijd met een ingebouwde spanning moet leven: wat het doet is nuttig, maar tegelijkertijd enigszins verachtelijk. Je kunt de makers van de compromissen altijd in een morele hinderlaag laten lopen.”

Dit poetst de euroscepsis niet weg, maar relativeert wel. Het verklaart ook waarom na een recente Eurobarometer nu ook een peiling van de Bertelsmannstichting aangeeft dat 71 procent van de EU-burgers positief is over de EU – en tegelijkertijd een andere Europese koers wil. Enig optimisme lijkt dus, zelfs in deze ruige tijden, best op zijn plaats.