Column

Dekrasie

Morgen is de finale van Heel Holland Bakt. Voor wie dat niet gezien heeft omdat hij/zij alleen documentaires van de BBC kijkt: het is een bakwedstrijd, gepresenteerd door Martine Bijl. Elke week valt er een kandidaat af. De rest komt, gezien de gebruikte ingrediënten, aan. In de jury zit een culinair journaliste die Janny heet, en een Brabantse patissier, met de naam Robèrt.

Robèrt is een man die je graag in je familie zou willen hebben, qua algehele gezelligheid, maar natuurlijk ook qua wat hij op verjaardagen mee zou nemen in een grote vierkante witte doos.

Belangrijk bij elke taart en elk taartje is de dekrasie, aldus Robèrt. Een marsepeinroosje hier, een fondantroosje daar. Want pas met de juiste dekrasie ziet een baksel er ‘schoon’ uit, en dat is essentieel. „Zou ik zo in de winkel neerzetten”, zegt Robèrt, en dat is de hoogste eer.

In mijn leven is nooit zo veel ruimte voor dekrasie. Ik ben al blij als iets lekker uit de oven komt, en de dekrasie laat ik dan maar even zitten (zie figuur 1).

Ik vraag me ook af of alle nadruk op dekrasie wel zo verstandig is. Is het niet beter om iets te maken wat er niet uitziet, om daarna iedereen weg te blazen met de smaak? „Jeetje, we dachten dat je een berg kots voor ons neerzette, maar nu blijkt dit het lekkerste te zijn wat ik ooit heb geproefd!”

Ooit sprak ik een man die als levensles had dat je in het begin van je relatie altijd meteen je slechtste zelf moest laten zien. Dus gewoon ruftend voor de tv gaan hangen, geen geïnteresseerde vragen stellen. Ook veel belangrijke data vergeten. Op die manier kon je later ook niet tegenvallen. Hij presenteerde zichzelf, om in Heel-Holland-Bakttermen te spreken, zonder dekrasie.

Nu is het makkelijk om zo iemand af te schrijven als een gevaarlijke zonderling, maar hij had toevallig wel gewoon een vrouw en kinderen, en niemand in dit fel-realistische gezin leek bijzonder ongelukkig.