De veren van de pinguïn

Bij de keizerspinguïn groeien rond elke dekveer (A, B, C) negen donsveertjes. Tekening Williams et al., Proceedings B

De keizerspinguïn die op het ijzige Antarctica leeft, heeft het dichtste verenkleed van alle vogels. Zo stond het tot vorige week in Wikipedia, en allerlei pinguïnboeken melden het. Maar het is niet waar.

Drie Amerikaanse biologen die simpelweg goed keken naar drie dode keizerspinguïns, zetten deze week hardnekkige misverstanden recht over het geweldig isolerende verenkleed van de keizerspinguïn (Proceedings B, 21 oktober online).

Er wordt vaak gerekend aan het verenkleed van de keizerspinguïn, vooral omdat het zo goed warmte vasthoudt – bij veertig graden vorst en harde wind blijft de vogel nog steeds 38 °C. Algemeen werd aangenomen dat de keizerspinguïn heel dicht opeen gepakte dekveren heeft, met aan de basis van elke dekveer een donsveertje dat eraan vast zit. Losse donsveren zou de keizerspinguïn niet hebben.

Maar hij heeft er juist heel veel van – al zijn ze van de buitenkant niet te zien. De inplant is hierboven getekend. Die donsveren moeten dus belangrijk zijn voor de isolatie. En de dekveren staan verder uit elkaar dan gedacht. Sommige rapporten noemden een dichtheid van 11 dekveren per cm2, andere zaten hoger – tot wel 46. Dat laatste is extreem.

De Amerikanen telden maar 6 tot 14 dekveren per cm2, afhankelijk van het dier en de plek op het lijf. Op de buik heeft de keizerspinguïn er meer dan op zijn rug. Dat is handig voor zijn typische buikschuivers.