Beroemder dan voetballers

Jonge Braziliaanse kunstenaars zijn een hype in de kunstwereld. Sandra Smallenburg bezoekt hen in favela’s en galeries.

Op zijn Havaianas-slippers loopt de Braziliaanse kunstenaar Paulo Nazareth een rode zandweg op in Veneza, een favela ten noordwesten van miljoenenstad Belo Horizonte. Zwerfhonden ruiken aan zijn handen. Links en rechts van het pad staan geïmproviseerde huisjes waaruit vrolijke klanken en etensgeuren komen. Het schemert en de duisternis zal snel invallen, zoals overal in de tropen. Dan is deze sloppenwijk geen fijne plek voor een avondwandeling. Maar Nazareth laat zich niet snel afschrikken. Als we twee jongens met machinegeweren passeren, die vanaf deze heuvel hun wijk bewaken, zwaait hij vrolijk in hun richting. Met hun vrije hand wuiven ze terug en roepen ons na: „God zij met u!”

Paulo Nazareth (1977) is een van de succesvolste Braziliaanse kunstenaars van dit moment. Hij nam deel aan de laatste twee Biënnales van Venetië – zijn geluidswerk Indigenous Voices is nog tot het eind van het jaar te horen in het Latijns-Amerikaanse paviljoen. Zelf is Nazareth nooit in Venetië geweest. In 2013, toen hij exposeerde in de Arsenale, de hoofdlocatie van de Biënnale, liet hij zich vertegenwoordigen door twee leden van de inheems-Braziliaanse Guarani-Kaiowá-stam. Hij wil geen voet zetten in Europa zonder eerst alle landen van Afrika bezocht te hebben. „Daar liggen mijn wortels.”

Met zijn mix van Europees, indianen- en slavenbloed belichaamt Nazareth de ingewikkelde koloniale geschiedenis van Brazilië. Hij is niet zwart, maar ook niet blank. En hij mag dan inmiddels een wereldberoemd kunstenaar zijn die zijn werk voor tienduizenden dollars verkoopt op de grote kunstbeurzen, als hij met zijn afrokapsel over straat loopt, wordt hij steevast aangehouden door de politie. Daarom draagt hij, als politiek statement, zijn identiteitskaart standaard als een sieraad om zijn nek. „In de ogen van de machthebbers zie ik eruit als een bandiet. Het kolonialisme duurt hier nog gewoon voort.”

Nazareth wijst naar de weg die in de verte tegen een heuvel omhoog kruipt. Dat is de oude koloniale route waarover de Portugezen de Braziliaanse bodemschatten – diamanten, goud, smaragd – richting de havens vervoerden. De eeuwenoude bestrating gaat inmiddels schuil onder een dikke laag asfalt. De grillig gegroeide sloppenwijken van Belo Horizonte bedekken nu de lagen van de geschiedenis.

In Veneza, een buurt die inmiddels stromend water en elektriciteit heeft, maar waar de straatnamen nog met krijt op de muren geschreven staan, heeft Nazareth een alternatieve biënnale georganiseerd: de Bienal de Veneza/Neves. De kunstenaar kocht een ‘barraco’, een verlaten krot, op de hoogste heuvel in de wijde omtrek en vroeg bevriende kunstenaars om werk ter beschikking te stellen. Zo ontstond een parallelle biënnale, gemaakt voor de inwoners van de favela.

Bij het schijnsel van een enkel peertje bekijken we de kunstschatten die hier te zien zijn. Aan de afgebladderde, lichtblauwe muur hangt een tekening van Gustavo Speridião (1978), een kunstenaar uit Rio die twee jaar geleden nog te zien was op de Biënnale van Lyon en die een rijzende ster is in de internationale kunstscène. In een volgende ruimte pronkt een wandsculptuur van Sonia Gomes (1948), gemaakt van ijzerdraadjes en kleurrijke lapjes stof. Het werk van Gomes, afkomstig uit Belo Horizonte, werd deze zomer door curator Okwui Enwezor geselecteerd voor de hoofdtentoonstelling in Venetië en trok daar honderdduizenden bezoekers. Hier in Veneza zijn er nog maar een handjevol mensen naar komen kijken.

Nazareth vertelt dat hij van plan is een educatief programma op te stellen voor kinderen uit de favela. Maar net zo graag brengt hij Europese curatoren en journalisten naar zijn culturele centrum. „Het is de reis hier naartoe die deze tentoonstelling de moeite waard maakt. Dat je hier in Veneza nadenkt over Venetië, en over hoe groot de verschillen zijn.” Hij wil laten zien dat de favela niet alleen het symbool is van armoede en drugsgeweld, maar ook een broedplaats van creativiteit. „Als je bij een sollicitatie zegt dat je uit Veneza komt, kun je die baan wel vergeten. Maar er zijn heus mensen die hier wonen en naar de universiteit zijn geweest, zoals ik.”

Zelf woont Nazareth nog steeds met zijn moeder, broers en zussen in een krap huisje in de favela Palmital, aan de rand van Belo Horizonte. De bovenetage is ingeruimd als studio, met een indrukwekkende boekenkast en een drukpers waarop de kunstenaar zijn grafiek en zijn pamfletten drukt. Vanuit de favela verkoopt hij zijn prints: goedkope van 0,25 real (0,06 euro) voor de lokale bevolking, duurdere van 200 dollar voor de rijkere verzamelaars. Zijn galeriehouder Renato Silva, directeur van Mendes Wood uit São Paulo, ziet het glimlachend aan.

Silva, een zwarte veertiger die er met zijn woeste baard en tatoeages eerder uitziet als een rockster dan een galeriedirecteur, is met ons meegereisd naar de favela om te tolken. Hij groeide zelf op in een sloppenwijk en wist zich van huisschilder en klusjesman op te werken tot een internationaal opererende tentoonstellingsmaker. „Paulo stopt toch iedere cent weer in de lokale gemeenschap. Wie ben ik om hem dat te ontzeggen?”

Silva omschrijft Nazareth als een kruising tussen Bob Marley en een sjamaan. „Hij leeft in zijn eigen wereld, heeft zijn eigen tempo.” Toen Nazareth in 2011 door galerie Mendes Wood werd uitgenodigd om mee te doen aan de kunstbeurs Art Basel in Miami, besloot hij te gaan lopen, op zijn slippers. De voettocht duurde bijna een jaar en voerde hem via de woestijnen, de jungles en de stranden van Midden- en Zuid-Amerika en via New York naar Miami. Het wandelen is een ode aan zijn voorouders, de Krenak-indianen, vertelt Nazareth. „Tijdens de dictatuur (1964-1984) werden de Krenaks van hun land gedreven en gevangen genomen. Ze wandelden terug.” Nazareth ziet zichzelf in de eerste plaats als activist en als boodschapper van zijn volk. „Tot op de dag van vandaag worden er in Brazilië indianen gedood vanwege hun land. De landeigenaren zijn hier oppermachtig en de politici dansen naar hun pijpen.”

Onderweg, in landen als Colombia, Argentinië, Bolivia en Ecuador, maakte Nazareth zelfportretten met mensen uit de lokale stammen en postte die op zijn blog. Om zo de verschillen te laten zien in de gezichten die onder de noemer ‘inheems’ vallen. En om zijn eigen ‘anders-zijn’ te benadrukken in het bijzijn van ‘de anderen’. Bij iedere grens die hij overstak, veranderde zijn huidskleur. Soms werd hij gezien als zwart, dan weer als Latino, Pakistani of Arabier. Op de kunstbeurs in Miami poseerde hij voor wie dat wilde naast een Volkswagenbusje vol bananen. „Daar verkocht ik mijn imago als exotische man”, lacht Nazareth. Voor het ‘stelen van zijn foto’ rekende hij 1 dollar.

De internationale kunstwereld is altijd op zoek naar nieuwe helden. In de jaren negentig waren het Britse en Chinese kunstenaars die in de belangstelling stonden, vervolgens werden Indiase kunstenaars populair. Nu zijn de ogen van Europese en Amerikaanse verzamelaars en curatoren massaal gericht op Brazilië. Daar timmert een jonge groep kunstenaars aan de weg met origineel en geëngageerd werk dat vaak opvallend conceptueel is. Wat deze kunstenaars gemeen hebben, is hun voorliefde voor eenvoudige materialen en hun bewondering voor het Braziliaanse modernisme (de naam van kunstenaar Hélio Oiticica valt geregeld, maar ook om architecten Oscar Niemeyer en Lina Bo Bardi lijkt niemand heen te kunnen). En, opvallend in een samenleving die nog altijd door racisme en klassejustitie wordt getekend: veel van deze kunstenaars zijn zwart.

Lange tijd was de Braziliaanse kunstwereld een overzichtelijk geheel. Op het gebied van hedendaagse kunst was alleen de Biënnale van São Paulo (sinds 1951) van belang – decennialang was dat de enige plek waar Braziliaanse kunstenaars met werk van internationale collega’s in aanraking konden komen. In de jaren zeventig begon een dappere galeriehoudster, Luisa Strina, tijdens de dictatuur experimentele en kritische kunst te tonen in São Paulo. Haar tentoonstellingen werden regelmatig door de politie gesloten, maar ze bleef doorgaan. Nog altijd vertegenwoordigt Strina vanuit haar galerie in São Paulo een grote groep Braziliaanse avant-gardekunstenaars, onder wie Cildo Meireles (1948) en Laura Lima (1971).

In de afgelopen tien jaar maakte de Braziliaanse kunstmarkt een razendsnelle ontwikkeling door. Toen in 2008 de economische crisis Amerika en Europa trof, keek de rest van de wereld opeens naar Brazilië. Daar groeide de economie, en ook de kunstsector, met enorme sprongen. Tegelijkertijd ontstond er een solide groep van Braziliaanse verzamelaars: jonge tandartsen, bankiers en advocaten die hun geld in kunst begonnen te investeren. Inmiddels telt de deftige wijk Jardins in São Paulo een tiental galeries, waarvan Mendes Wood, Vermelho en Fortes Vilaça de bekendste zijn. Er zijn nu twee volwaardige kunstbeurzen, ArtRio en SP-Arte, waar veel internationale galeries en verzamelaars op afkomen. Groepstentoonstellingen als Imagine Brazil reisden de afgelopen maanden de wereld rond. En volgend jaar, als de Olympische Spelen in Rio gehouden worden, zal Brazilië opnieuw volop in de belangstelling staan. Marcos Gallon, eigenaar van galerie Vermelho, heeft dit jaar tachtig internationale exposities met zijn Braziliaanse kunstenaars in voorbereiding. „Dus ja, je kunt zeker spreken van een hype.”

Braziliaanse kunst is supertrendy, zegt ook conservator Luiza Proença van het MASP in São Paulo, het belangrijkste kunstmuseum in Brazilië. „Maar het is vooral een hype die gecreëerd is door de kunstmarkt. We hebben een stabielere basis nodig als we dit succes willen bestendigen. Behalve de galeries zijn er voor kunstenaars haast geen plekken om te exposeren. Er is nauwelijks overheidsgeld beschikbaar voor kunst, studiebeurzen en onderzoeksplekken zijn schaars. De bureaucratie rondom subsidieaanvragen is verschrikkelijk. Er is geen visie, geen plan voor educatie. Er is geen voedingsbodem, er is alleen de markt.” Het succes van Braziliaanse kunst is dus zeer oppervlakkig, meent Proença. „Voor veel kunstenaars is het echt een gevecht om te overleven.”

Ze zijn hip, maar ze verdienen haast niets, beaamt Adriano Costa (1975), een beeldhouwer die inmiddels door de Londense galerie Sadie Coles is opgepikt. Hij werkt in een atelier in downtown São Paulo, een gebied dat na sluitingstijd van de kantoren en winkels verandert in een no-go area vol crackverslaafden. „Als ik een keer te lang heb doorgewerkt moet ik echt naar de metro hollen. De contrasten zijn in Brazilië enorm, iedere paar blokken is er weer een nieuwe realiteit.” Hij denkt altijd aan verhuizen, lacht Costa, maar blijft toch steeds weer hangen. Hij werkt met spullen die hij op straat vindt. „Mijn werk heeft die chaos nodig.”

Veel kunstenaars en galeriehouders zeggen bezorgd te zijn over de toekomst. De Braziliaanse economie, die sterk afhankelijk is van de Chinese markt, is recentelijk weer in een vrije val geraakt. Afgelopen augustus was de slechtste maand in jaren voor de galeries. Musea hebben zelfs geen geld om schilderijen te restaureren. De meest basale voorzieningen ontbreken. Galeriehouder Renato Silva vertelt dat hij onlangs een schilderij moest ophangen in een cultureel centrum in Recife, in het noorden van het land. „Ik vroeg om een hamer, toen kwam de conciërge met een steen aanzetten. Daar moest ik de spijker maar mee inslaan. Zo arm is dit land.”

Dat er nu ook kunstscenes ontstaan in steden als Recife en Belo Horizonte, is een recente ontwikkeling. Lange tijd concentreerde de Braziliaanse kunstwereld zich in de zuidelijke steden São Paulo en Rio, daar waar het grote geld zat. Nu ontstaan er ook lokale kunstgemeenschappen. MASP-conservator Luiza Proença: „Veel kunstenaars reizen tegenwoordig de wereld rond en worden zich daardoor meer bewust van hun eigen achtergrond. Dat heeft ook voor nieuwe onderwerpen gezorgd. Lange tijd was het Braziliaans modernisme een belangrijke inspiratiebron, maar daardoor vergaten we wel eens dat er ook andere, meer politieke onderwerpen zijn. Dat lijkt nu te veranderen. Veel kunst van nu gaat over huidskleur, over inheemse culturen en over onze koloniale geschiedenis. Dat zijn de nieuwe verhalen die verteld worden.”

In Recife, de plek die in de zeventiende eeuw bestuurd werd door de Nederlandse graaf Johan Maurits van Nassau, heeft kunstenaar Jonathas de Andrade (1982) een onderkomen gevonden op de vierde verdieping van een voormalig kantoorpand. Vanaf het balkon van de vroegere directiekamer wijst de kunstenaar naar de Avenida Guararapes, de chaotische verkeersader die de binnenstad doorkruist. Beneden razen de stadsbussen door de straten en proberen de straatverkopers hun ananassen en mango’s te verkopen. „Dat is waar de paarden voorbij renden.”

De Andrade doelt op zijn film The Uprising, misschien wel zijn bekendste kunstwerk. Het is een verslag van een paardenrace die de kunstenaar in 2012 organiseerde voor de illegale koetsiers uit Recife. „Volgens de autoriteiten is Recife een geheel urbaan gebied, waar landbouwdieren verboden zijn”, legt de kunstenaar uit. „In werkelijkheid brengen de boeren hun groente en fruit gewoon nog met paard en wagen naar de markt. Het verbaasde mij hoe die koetsjes officieel door de wet verbannen zijn, maar toch deel uitmaken van het straatbeeld. Door de politie worden ze compleet genegeerd. Het is alsof beide partijen een pact hebben gesloten; ze doen alsof ze elkaar niet zien.”

Om een vergunning voor de paardenrace te krijgen, verzon De Andrade het excuus van een film. „Als ik had gezegd dat het een kunstproject was, had ik nooit toestemming gekregen. Recife heeft een sterke filmtraditie, dus de autoriteiten wilden best meewerken om de straten af te zetten voor een filmscène. Maar de koetsiers waren helemaal niet bezig met de camera’s, voor hen voelde de race als een demonstratie, een anarchistische coup. Op de foto’s en filmbeelden zie je hun trots, hun gevoel van vrijheid. Ik wilde ermee laten zien dat een politieke beweging niet alleen uit discours hoeft te bestaan. Protest kun je ook uiten met dit soort koetsjes, die iedere dag weer de stad innemen.”

Hij houdt van de wanorde in Recife, zegt De Andrade. „Het is hier nog niet zo overgereguleerd als in São Paulo. Je kunt de regels nog een beetje buigen. De chaos is soms gekmakend, maar biedt ook mogelijkheden. Deze stad is net een openluchttheater. Er is hier nog ruimte voor spontaniteit.” De commercie van de galeriewereld in São Paulo lijkt intussen ver weg. „Ik ga niet naar kunstbeurzen of openingen. Ik wil niet meedoen aan die ratrace. Hier in Recife is maar één galerie. Hier kan ik me volledig op mijn werk focussen. Mensen uit São Paulo komen nauwelijks langs. Het is toch vier uur vliegen.”

Net als Paulo Nazareth voelt ook Jonathas de Andrade zich nauw verbonden met de lokale cultuur. Ook hij maakt veel werken die verwijzen naar afkomst en huidskleur, of naar het exotische beeld van de Braziliaanse man. Zijn kunstproject The Museum of the Man of the Northeast bijvoorbeeld, speelt met de clichés over de mannen van het noordoosten: ruige jongens, donkere gespierde types, die bekendstaan als de hardste werkers van het land. In Recife bestaat er ook echt zo’n antropologisch museum over de lokale regio. Het werd in 1979 opgericht door de socioloog Gilberto Freyre, auteur van het boek The Masters and the Slaves (1933), waarin voor het eerst beschreven werd hoe de relaties tussen de kolonisten, de slaven en de indianen hebben gezorgd voor de Braziliaanse melting-pot.

De Andrade maakte ongevraagd posters voor dat museum, die de grootste stereotypen nog eens flink uitvergroten. „Dat museum is uiteraard nogal problematisch en niet bepaald politiek correct. Maar het gekke was: de modellen met wie ik werkte, wilden dolgraag het symbool zijn van de man van het noordoosten. Als ik advertenties in de krant zette met teksten als: ‘Gezocht: bruine mannen met sterke handen’, dan kwamen daar talloze reacties op. Die trotsheid heb ik op de posters benadrukt.”

Ook De Andrade zegt zich zorgen te maken over de toekomst. Hij toont zijn werk inmiddels wereldwijd, maar hij kan nog steeds niet makkelijk van zijn kunst rondkomen. „De kunstmarkt is allesbehalve stabiel. Ik heb het gevoel dat het ieder moment over kan zijn met het succes.” Maar, relativeert hij ook: „Wat blijft, is mijn werk. Daar gaat het om. In mijn projecten draait het om de relaties die ik met mensen aanga. Of het goed verkoopt, is bijzaak.”

In de studio van Sonia Gomes, in het centrum van Belo Horizonte, lijkt de internationale kunstwereld ver weg. Haar werkplek meet nog geen twintig vierkante meter en heeft meer weg van een sweatshop. Maar schijn bedriegt. Op haar naaimachine zet Gomes de sculpturen in elkaar die komende maand op de Frieze-kunstbeurs in Londen voor fikse bedragen nieuwe eigenaren zullen vinden. Sinds de Braziliaanse dit jaar werd uitgenodigd voor de Biënnale van Venetië, is ze op haar 67ste opeens een veelgevraagd kunstenaar. Maar hier, in de plakkerige warmte van het krappe ateliertje, denkt Gomes niet aan roem. „Ik denk aan het werk, niet aan de plekken waar mijn kunst straks terecht zal komen.”

Gomes is een relatief jonge ster in het internationale kunstcircuit, die pas op late leeftijd ontdekt werd door galerie Mendes Wood. Ze spreekt alleen Portugees en voelt zich duidelijk ongemakkelijk in haar rol als beroemd kunstenaar. Schoorvoetend vertelt ze hoe ze opgroeide in Caetanopolis, het centrum van de Braziliaanse textielindustrie, als kind van een zwarte, alleenstaande moeder en een blanke vader die er nog een ander gezin op nahield. Toen ze vier was, stierf haar moeder en werd ze een tijdje opgevangen door haar helderziende grootmoeder. Maar op haar zesde kwam haar vader haar opeisen. „Opeens woonde ik in een groot huis, vol met kunst. Ik was er ongelukkig. Ik wilde terug naar het hutje van mijn oma.”

Gomes vertelt hoe ze op een dag al haar kleren verzamelde in een plunjezak en is weggelopen. „Ik weet nog precies hoe die zak met stoffen voelde, ik zie het als mijn eerste kunstwerk. Na drie of vier huizenblokken werd ik al opgepakt en teruggestuurd naar huis. Mijn vader sloot me op in de bibliotheek. Daar heb ik alle boeken verscheurd en alle glazen gebroken. Dat was echt een catharsis, een eenmalige uitbarsting. Daarna ben ik de rest van mijn leven kalm gebleven.”

Haar eerste kunstwerken, al noemde Gomes die toen nog niet zo, waren constructies van stof – kleine objectjes om met je mee te dragen of als sieraad op te spelden en die bescherming boden tegen boze geesten. „Het waren odes aan mijn oma.” Ze exposeerde ze in de antiekzaak van een vriend in Belo Horizonte. „Ik wist niet dat wat ik maakte kunst was”, zegt Gomes. „Ik ben nooit naar de academie geweest.”

Ze gebruikt alleen gevonden materialen of stoffen die ze krijgt van vrienden. „Die hebben het leven al in zich, ik voel hun energie. Als mensen mijn kunstwerken zien, hebben ze het gevoel dat er hele geschiedenissen in die objecten zitten. Ze doen hen denken aan vroeger.” Nu ze dankzij de Biënnale meer bekendheid heeft gekregen, sturen mensen haar soms zomaar kledingstukken toe. Laatst nog kreeg ze van een oudere dame de bruidsjurk die zij al vijftig jaar had bewaard. Als ze die jurken door haar handen laat glijden, denkt ze altijd aan de lichamen die erin hebben gezeten.

De Biënnale van Venetië heeft haar leven op zijn kop gezet, zegt Gomes. Ze is overweldigd door alle reacties. Maar de recensies in de Braziliaanse pers op de Biënnale, waar dit jaar voor het eerst veel werk uit Afrika en Latijns-Amerika te zien was, waren volgens Gomes ronduit racistisch. „Ik kreeg zelfs de vraag hoe het was om te exposeren tussen al die zwarte kunstenaars. En een criticus uit São Paulo noemde mijn werken kunst voor daklozen, omdat ze zo naïef en slecht gemaakt zouden zijn. Maar dit is nu eenmaal hoe onze cultuur eruitziet. Mijn werk reflecteert de omgeving waarin het gemaakt is. En die zit inderdaad nog vol armoede.”

Matthew Wood, de Amerikaanse eigenaar van galerie Mendes Wood, is ervan overtuigd dat het werk van kunstenaars als Paulo Nazareth en Sonia Gomes van grote betekenis gaat worden in de internationale kunstwereld. „Tot nu toe hadden wij niet echt een Braziliaanse kunstgeschiedenis. Heel lang hebben wij naar Europa gekeken, nu kijkt Europa naar ons. De Biënnale van Venetië was decennialang een blanke aangelegenheid. Dat er nu ook veel zwarte kunstenaars te zien zijn, is echt iets van de laatste paar jaar.”

Volgens Matthew Wood staat de Braziliaanse kunst dus pas aan het begin van een renaissance. Hij vertelt hoe Paulo Nazareth laatst bij hem thuis op bezoek kwam en herkend werd door de zwarte bewaker van zijn huizenblok. „Hij had Paulo’s naam gegoogled en was verbijsterd te zien hoe beroemd hij was. Paulo had meer hits dan welke Braziliaanse voetballer dan ook. Toen zei hij: ‘Ik wist niet dat dat voor mijn zoon ook een optie was: dat hij kunstenaar zou kunnen worden.’”

Maar het mooiste gevoel van overwinning had Wood deze zomer, toen de naam van Paulo Nazareth opdook in een vraag van het centrale eindexamen op de middelbare scholen. „Er stond een foto bij van Paulo’s wandelperformance naar Miami. 80 procent van de Braziliaanse scholieren heeft dat examen gedaan en kent nu zijn naam. Toen ik dat hoorde, heb ik gehuild van blijdschap.”