Afweergeschut

foto Annaleen Louwes

De bevroren avocado’s hingen laag bij de grond in de boomgaard. De oude handschoenen waren zo versleten dat mijn vingertoppen er doorheen kwamen. Met een mand naast me moest ik op mijn knieën om de avocado’s te kunnen plukken uit de struiken.

Tintelende vingers in winters Israël.

Ik was zeventien jaar en wist niet wat ik wilde studeren. Op mijn middelbare school zat een leraar die me adviseerde een tussenjaar te nemen om in het buitenland te kunnen werken. De keuze was volgens hem vrij simpel: druiven plukken in Frankrijk of werken in een kibboets.

Het werd Israël, hoe verder hoe beter. Ik kwam terecht in kibboets Amiad, in het heuvelachtige gebied boven het meer van Tiberias.

In het vroege voorjaar van 1974 stond ik te verkleumen in de boomgaard. Ik werkte samen met een andere Nederlandse jongen. We werden vaak uren alleen gelaten door Abraham, de oude opzichter. Zodra hij wegreed op zijn tractor om andere vrijwilligers te assisteren op het uitgestrekte terrein gooiden we er met de pet naar. Als stil protest tegen het karige loon dat je kreeg voor een dag avocado’s plukken.

De boomgaard lag tientallen kilometers ten noorden van de kibboets, richting de grens met Libanon. Tijdens het werk hoorde ik in de verte soms een suizend geluid. Ik kon het niet thuisbrengen en vroeg Abraham op de terugweg wat het kon zijn. Zijn antwoord vanachter het stuur van de vrachtwagen was kort: „Afweergeschut”.

Voor mijn vertrek uit Nederland was er nauwelijks gerept over de spanningen in en rond Israël. De godsdienstleraar vertelde me hoe idealistisch zo’n kibboets was opgezet. Saamhorigheid, daar ging het om. Met grote vanzelfsprekendheid werd je als Nederlandse katholieke jongen geacht ‘voor Israël’ te zijn.

Er werden mortieren afgevuurd richting Libanon. Abraham vertelde me dat de Libanezen terugschoten. Als ik het niet geloofde zou hij me inslagen op Israëlisch grondgebied tonen.

Ik was naar Israël gegaan om een vrij leventje te leiden. Zonder mijn ouders in de buurt kon ik ongelimiteerd drinken, blowen en het proberen aan te leggen met een meisje.

Na het werk verzamelden alle buitenlandse vrijwilligers zich op een ligweide tussen de woonblokken. Daar leerde ik Danny kennen. Danny was geboren in Israël. Hij droeg legerkleding en had – net als veel anderen in de kibboets – zijn geladen Uzi altijd binnen handbereik. Het wapen lag geladen in de eetzaal, op de dienbladen naast de volle borden.

Danny was wat ouder dan ik en leefde met een aangeboren wantrouwen: Arabieren deugden niet. Ze wilden de Joden de zee in drijven. De gespreksonderwerpen met Danny waren intens maar beperkt; het ging of over oorlog voeren, of over neuken met meisjes. Hij wist daar alles van, ik niet.

Ik zie het gave gezicht van het meisje voor me in een van de slaapbarakken op de kibboets. Ik had een cassettebandje met Astrud Gilberto van huis meegenomen. We lagen op ons rug op bed en luisterden anderhalf uur lang naar de Braziliaanse zwoele muziek. Danny vroeg me de dag erop natuurlijk of ik geneukt had. Ik draaide er toen omheen maar het werkelijke antwoord was nee.

Van de oorlogsdreiging merkte ik niet veel, al viel de aanwezigheid van militairen in het openbare leven – zeker in het centrum van Jeruzalem – me wel op. Het is er niet beter op geworden in Israël. Veertig jaar na mijn bezoek loopt er een muur van honderden kilometers als scheidswand tussen de Palestijnen en de Joden.

Tegenwoordig luister ik met gemengde gevoelens naar het journaal als de namen van plekken genoemd worden waar ik destijds als jonge jongen nog zo ontspannen kon rondlopen. Jericho, Hebron, Haifa, Akko, Beersheva. Ik denk terug aan Abraham en Danny, aan hun politieke fanatisme en aan hun hartelijkheid.

In Nederlandse supermarkten zijn avocado’s goed verkrijgbaar. Ze liggen als donkere peren in de schappen. Een avocado is rijp als hij tegen het zwarte aan is. Onder de donkere huid zit het zachte, groene vlees. In het midden huist een pit die hard aanvoelt.

Als een kogel.

Wilfried de Jong