Zij durfde het. En werd uitgescholden

De politie durfde haar veiligheid niet meer te garanderen. Ze had het voor vluchtelingen opgenomen.

Publiek tijdens de informatiebijeenkomst over een mogelijk opvang voor asielzoekers in Steenbergen, woensdagavond. Op de onderarm van de jongen staat „Locos” getatoeëerd. „Vatos locos” is een slogan van supporters van voetbalclub Feyenoord.

Weggehoond werd ze. Als een van de weinige inwoners van het West-Brabantse Steenbergen bracht Dasja Abresch de moed op, zich deze week tijdens een vergadering over asielzoekers ten overstaan van een joelende meute uit te spreken vóór opvang van vluchtelingen. „Moven!!” brulde de zaal.

Ze hield stand. Ze stak haar verhaal af. Dat deed ze, nadat ze een week eerder tijdens een protest tegen de massale afkeer van asielzoekers was bekogeld met eieren, en nadat enkele dagen later onbekenden een steen door de ruit van haar voordeur hadden gegooid. „Ik krijg reacties van mensen die het moedig vinden”, vertelt Abresch, een 43-jarige moeder van twee kinderen, geboren en getogen in Steenbergen en wonend in het nabijgelegen dorp Welberg (1.200 inwoners). „Zelf voel ik dat niet zo. Ik heb gedaan wat ik moest doen. Ik wilde een statement maken, namelijk dat je mensen in nood moet helpen.”

Was u vooraf niet bang voor agressie?

„Ik ken zelf al vier mensen die zich hadden aangemeld als spreker maar die zich hebben teruggetrokken uit angst voor agressie. Dat kwam vooral doordat diezelfde dag de burgemeester een noodverordening had afgekondigd. Er zouden hooligans komen.

„De angst kwam ook door de demonstratie een week geleden in Steenbergen. Daar was een grimmige sfeer. Er waren honderdvijftig tot tweehonderd mensen die hadden gehoopt dat Geert Wilders kwam. Die kwam niet en dat was jammer want daardoor richtte hun agressie zich op ons. Wij stonden met een groep van vijftig mensen bij de kerk, dat leek ons wel een toepasselijke plaats. Het werd een kleine confrontatie. Dat sterkte mij in de overtuiging dat ik echt moest spreken. Mijn man en mijn kinderen hebben me dat niet in dank afgenomen, want die denken natuurlijk aan onze veiligheid, maar ik dacht: we moeten in dit land kunnen zeggen wat we denken, zonder bang te zijn.”

U werd flink uitgescholden. Hoe was dat voor u?

„Na die demonstratie vorige week was ik wel geschrokken van het geweld. Toen heb ik wel even een potje gejankt, ja. Ook die steen door de voordeur gaat je niet in de kouwe kleren zitten. Maar voor deze vergadering had ik me goed voorbereid. Er is niets gebeurd wat ik niet had verwacht. Ik hoorde de mensen schreeuwen, maar ik werd er niet door geraakt. Wat ze riepen, voelde niet als een persoonlijke aanval. Het gleed van me af als water van een eend.”

U zei eigenlijk niet veel meer dan dat je mensen in nood moet helpen. U sprak zich niet echt uit voor een azc, toch?

„Je moet niet klakkeloos ingaan op plannen voor grootschalige opvang. Je moet dat zorgvuldig voorbereiden, in het belang van de asielzoekers zelf. Als je ineens zeshonderd man in een kleine ruimte bij elkaar zet, dan krijg je gegarandeerd problemen. Zet de helft van mijn dorp bij elkaar en na enkele dagen is het bij wijze van spreken burgeroorlog. Ik heb mijn verhaal niet helemaal afgemaakt. Ik had eigenlijk willen eindigen met het eerste artikel uit de Grondwet en het eerste artikel uit de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Maar er werd zo veel geschreeuwd en ik dacht: het is nu ook al wel duidelijk.”

Het verzet is erg fel in Steenbergen.

„Er wordt gezegd dat er in de zaal veel mensen van buiten Steenbergen zaten. Dat is misschien zo. Maar vergeet niet dat Steenbergen zelf ook een PVV-gevoelige gemeente is. [Bij de laatste verkiezingen voor Provinciale Staten stemde 20,4 procent PVV, tegen 11,7 procent landelijk.] Het zijn mensen die ontevreden zijn over hun eigen leven, gefrustreerd, en ze richten hun woede op mensen die er niets mee te maken hebben. De asielzoekers worden dan een zondebok.”

Waarom zijn ze hier zo ontevreden?

„Dat weet ik eigenlijk niet. Ik ben zelf tevreden met wat ik heb. Ik ken wel mensen die óók weinig hebben, maar die geven de schuld daarvan nooit aan een ander, die zijn ook tevreden.”

U verliet de zaal eerder. Waarom?

„Na mijn verhaal werd ik buiten de zaal door de radio geïnterviewd. Toen ik terug wilde, kwam de politie op me af en die vertelde dat als ik de zaal in zou gaan, ze mijn veiligheid niet meer konden garanderen. De politie vreesde voor escalatie. Ik moest omringd door vier agenten wachten op een burgerauto waarin ik onder begeleiding van een motor langs rare weggetjes naar huis ben gebracht. Dat vond ik heel erg. In die auto vroeg ik op een gegeven moment: ‘Ik ben toch nog wel in Nederland?’ Ik voelde me als iemand die een toespraak had gehouden in een land waar vrijheid van meningsuiting niet vanzelf spreekt, en die daarna snel moet worden afgevoerd. Heel unheimisch.”

Zou u nog eens voor zo’n zaal spreken?

„Ik denk van wel. Als je niet meer kunt zeggen wat je denkt, waar zijn we dan in godsnaam mee bezig? Ik weet natuurlijk niet wat voor gevoel ik op een andere dag misschien heb. Mijn man had wel twijfel. Hij had de agressie eerder gezien en zei: die mensen in de zaal staan niet open voor jouw betoog. Mijn kinderen waren vannacht niet thuis, die had ik voor de veiligheid elders ondergebracht. Maar ik vind dat ik dit moet doen. Ik doe het voor mijn kinderen. Ik wil hen een signaal geven dat je af en toe de helpende hand moet toesteken. Dat je niet alleen bent op deze wereld.”