Wie is die ander in het publiek?

Nieuwe Nederlanders vinden lang niet altijd de weg naar de theaterzaal. Hoe trek je ze over de streep? Een gesprek met een theaterdirecteur en vier makers.

Fahd Larhzaoui

Eerst even een anekdote, uit zijn eerste jaar als schouwburgdirecteur. Voor Marocomedy, een lokaal stand-up initiatief, waren achthonderd kaartjes verkocht, de hele zaal zat vol. En die kaartjes hadden vijfentwintig euro gekost, toch niet echt niks. Dus wat zag je: allemaal mooi aangeklede jonge mensen, die zich verheugden op een avondje uit. Allemaal Marokkaanse Nederlanders, ja. Of bijna allemaal.

En toen kwam er dus een agent de foyer binnenwandelen, een Marokkááns-Nederlandse agent nota bene, en die zei: „Waarom is dit evenement niet bij ons aangemeld? Dit is een risicobijeenkomst.”

Andreas Fleischmann kan er nu wel om lachen. Maar tegelijk: „Het laat wel zien dat er nog heel wat moet gebeuren.” Je zag het ook bij Kapsalon, nog zo’n eigen multiculturele productie die dit seizoen opnieuw wordt opgevoerd. Toen hij vorig seizoen andere zalen langs belde om de voorstelling aan te bevelen, zei zo’n schouwburgdirecteur bijvoorbeeld: „Wat doen we met de kosten van de beveiliging?” Of ze zeiden: „Maar wij hébben helemaal geen Marokkaans publiek.”

Andreas Fleischmann (47) is sinds 2014 directeur van De Meervaart, een in 1977 aan de Sloterplas gebouwd theater voor een buurt in opkomst. Mensen uit de Jordaan of de Pijp verhuisden naar de lichte en ruime wijk met weilanden, een park en een winkelcentrum, wat toen nog iets nieuws was. Er kwam ook een cultureel centrum, waar je een soos had, waar je kon biljarten en waar zelfs een theaterzaal in zat.

Dat was toen. Nu wonen in Amsterdam Nieuw-West zo’n 140.000 mensen, van wie 60 procent van niet-westerse afkomst. In 2007 werd het een Vogelaarwijk, een officiële probleemwijk waar extra geld naar toeging. En waar steeds minder mensen het theater bezochten.

Vandaar dat Andreas Fleischmann deze zinnen schreef in zijn allereerste jaarverslag: „De Meervaart wil alle bewoners van Nieuw-West aandeelhouder maken in haar activiteiten. Onze doelstelling is om de komende jaren op het gebied van de programmering nauwer aan te sluiten bij de behoeften en wensen van ons huidige en aspirant publiek.”

Dat is de reden voor dit gesprek: hoe doe je dat, een ander publiek trekken? Waarbij niet gezegd wil zijn dat De Meervaart de enige schouwburg in Nederland is die dit probeert. Maar het is wel een markant voorbeeld.

Eerlijk gezegd begon het makkelijk. Als Vogelaarwijk kreeg Nieuw-West geld voor sociale cohesie. Van een deel daarvan kon een theaterschool voor jongeren worden opgericht, Studio West. „Zo kwam ik hier binnen.”

En zo ook verschoof de aandacht als vanzelf meer naar jongeren en de ontwikkeling van hun talenten. Alleen, wat waren de verhalen die deze jongeren interesseerden? Niet die van het traditionele theater. „Als je de zaal in liep en om je heen keek zag je: ze zitten hier niet. De doelgroep is makkelijk te herkennen.” Inmiddels heeft Fleischmann, door zijn ervaringen, wel het één en ander geleerd. Want, inderdaad, hoe trekt hij dat andere publiek?

1 Vertel andere verhalen

De eerste voorstelling die aansloeg bij dat andere publiek, de feelgood-musical Ik, Driss, was gebaseerd op een column over de eerste generatie gastarbeiders. Die column had op de Achterpagina gestaan van NRC Handelsblad.

De musical, zegt Andreas Fleischmann, ging over mannen met een enorme drive, die op zoek waren naar een beter leven. „Maar dat verhaal wordt nooit verteld, het gaat altijd over de problemen van nu.”

2 Duw wat je doet niet in de probleemhoek

Hij merkt het ook als hij wordt aangesproken op wat ze nu doen in De Meervaart: ‘Oh ja, jullie zijn met die allochtone problematiek bezig, hè.’ Nee, daar zijn ze niet mee bezig. En de doelgroep ook niet. In dit soort wijken wonen juist allemaal mensen die wat van hun leven willen maken.

Hoe dan ook, voor Ik, Driss hadden ze meer dan levensgrote foto’s van eerste generatie gastarbeiders opgehangen rond de Sloterplas. Dat trok de aandacht, ook van mensen die anders niet naar het theater kwamen. En ze hadden contact gezocht met sleutelfiguren in de wijk, mensen die veel andere mensen kenden dus. Het moest een inktvlek worden.

3 Bedenk dat gewone marketing (programmaboekje, flyers) niet voldoet

Theaterdirecteuren, zegt Andreas Fleischmann, denken vaak: ‘Ik programmeer iets allochtoons en dan is het geregeld.’ Maar zo werkt het niet. „Je moet het vertrouwen van je publiek winnen, anders komen ze niet.”

En, zegt hij, „daarbij moet je toegankelijk zijn.” Begrijp zijn opmerking niet verkeerd: zijn doelgroep ziet een avond theater echt als uitgaan, waar je je voor omkleedt en waar je geld voor uitgeeft. Alleen, ze komen minder vaak en weten daardoor niet per se wat ze kunnen verwachten. Dus denk aan praktische dingen, bijvoorbeeld wat voor eten en drinken er is. Of dat zondagmiddag een beter moment kan zijn om te programmeren dan zaterdagavond laat.

4 Neem de vraag van je publiek serieus

Dan nog een hele belangrijke. Veel gezelschappen zijn één of anderhalf jaar bezig met een voorstelling, dus er is een strakke planning. Maar als je dat doet, als je als schouwburgdirecteur je hele seizoen vol plant, dan is er geen ruimte voor nieuwe initiatieven.

„Een voorbeeld, Salehedinne. Jij kent hem vast niet, maar hij is echt iemand. Ons publiek kent hem vooral van YouTube. Salehedinne belt soms opeens op en zegt dan: ik heb weer zin om te spelen. En ook als hij niet in het programmaboekje staat, loopt die avond geheid vol.”

Is dat dan een geweldige voorstelling? Niet als je je eigen artistieke lat ertegenaan zou leggen. „Maar er gebeurt op zo’n avond wel iets in die zaal.” Dus dat is zoals hij het ziet: als je luistert naar je publiek, en zulk soort makers een kans geeft, dan kunnen ze later misschien wél die extra laag aanbrengen. Tot die tijd laat hij een aantal avonden in het programma open. Die hij dan op het laatste moment vult. Of weggeeft, dat gebeurt ook: „Dan weet ik niet wat ze die avond gaan doen, het is carte blanche.”

5 Je publiek, dat zijn de mensen die om je heen wonen

Tot slot wil hij er nog dit over zeggen. In een krant stond laatst over zijn theater: ‘De Meervaart, voor laagdrempelig vermaak.’ Dat vond hij, tsja, elitair eigenlijk. „Je staat dan meteen 1-0 achter. Het is opboksen tegen stereotiepen.”

Aan de andere kant, het is een mooie missie die hij heeft. En het is wel degelijk cultuuroverdracht: „We lossen niet de problemen op, zo van: kom hier rappen op een podium, dan hang je niet op straat. Wat wij doen is een andere context bieden, een andere manier van kijken naar je wereld.”

In het jaarverslag had hij daar een mooie zin voor, wacht even. Ja, dit is ’m: „Ons theater verrijkt de zintuiglijke en intellectuele ervaring omdat naast aandacht voor de feitelijke werkelijkheid ruimte wordt gegeven aan dromen, angsten, verlangens en verbeelding.”