Vekeman laat steeds het Reve-alarm afgaan

In Hotel Rozenstok, de nieuwe roman van Christophe Vekeman, hangt een schrijver met dezelfde naam als de auteur door allerlei oorzaken, maar met name door een gebrek aan succes, zijn pen aan de wilgen. Omdat er toch geld binnen moet komen, besluit hij te solliciteren naar een reguliere baan. Het sollicitatiegesprek met een directrice laat zich lezen als een ontmoeting tussen ‘de’ literatuur en de potentiële lezer ervan, die zich steeds moeilijker lijkt voor te kunnen stellen waarom je je überhaupt zou verdiepen in andermans gedachtegoed. Het levert vermakelijk gefoeter op, dat doet denken aan het tragikomische, wij-hebben-allen-ons-kruis-te-dragen uit de brievenboeken van Gerard Reve.

Ook inhoudelijk zijn er overeenkomsten met Reve. Zo wordt de Liefde op een voetstuk geplaatst; wordt Vekeman geplaagd door een sluimerend alcoholisme en gebruikt hij de verplaatsing als motor voor zijn roman. Zoals Reve in Op weg naar het einde naar Engeland trok, zo pakt Vekeman de trein naar Nederland, om in het plaatsje ‘L.’ (met zo’n afkorting gaat opnieuw een Reve-alarm af) zijn intrek te nemen in een mysterieus hotel.

Hier komt opnieuw de buitenstaandersvisie op literatuur aan bod, want de uitbaters van het hotel zijn doodsbang dat Vekeman slechts komt logeren om hun in een boek te kijk te zetten. Er blijkt iets onoorbaars in het hotel voorgevallen dat in L. tot veel geroddel heeft geleid. De grap van de roman is dat Vekeman zich presenteert als de roman schrijver die zogenaamd prachtig materiaal domweg negeert.

Daar zit een idee achter. Vekeman vindt, dat lijkt althans de pointe, dat een beetje schrijver zich niet verlaagt tot geparasiteer op die werkelijkheid waar dagbladen en journaals al zo ruimschoots verslag van doen. Het vermeende gebrek aan belangstelling voor verbeeldingsvolle, stilistisch hoogwaardige literatuur moet niet leiden tot schrijvers die zich als journalisten op de eerste de beste actualiteit storten. Dat het lezen van literatuur zich volgens Vekeman het beste laat vergelijken met vrijwillige geestelijke gijzelneming blijkt ook uit de verdraaiing van zijn eigen romanfeiten: eerst brengt het personage Vekeman stipt verslag uit van bepaalde voorvallen, om zich alles honderd pagina’s verder heel anders te herinneren. Het lijkt af en toe de werkelijkheid wel in deze tot grinniken stemmende roman.