Ongenoegen

Let woensdag aanstaande op de vingers. Zodra een Ajaxspeler een corner mag nemen, gaan de vingers omhoog en staat de cornernemer voor een haag van haat. De traditionele haathaag bij Feyenoord-Ajax. Al die supporters die hun middelvingers opsteken, en dan vooral die verwrongen, van frustratie zwelgende koppen erachter: ik kan daar niet bij. Voor mij is voetbal het spel van de vrijheid en altijd heb ik een zwak gehad voor Rotterdam. Behalve dus als 020 daar op bezoek komt.

Rotterdam was mijn redding. Toen ik als student geschiedenis dreigde te verzuipen aan de Universiteit van Amsterdam gooide de Erasmus mij een boei toe in de vorm van iets nieuws, maatschappijgeschiedenis. Voor veel anderen zou het een koude douche zijn geweest: de overgang van de knusse, crypto-marxistische Oudemanhuispoort in het Wallengebied naar het witte hoge laboratoriumgebouw van de Medische Faculteit in Rotjeknor. Voor mij was het een warm bad. Al zat ik dan op de twintigste etage in een omgeving zonder leuke kroegen in een stad waar de open wonden van het bombardement nog zichtbaar waren: dankzij het aldaar vigerende no nonsense had ik er een mooie tijd.

Jaren later keerde ik terug. Namens het ‘grachtengordelblaadje’ Haagse Post had ik in 1989 een reportage gemaakt over de armoede in Spangen. Prompt werd ik ter verantwoording geroepen door Wilfried de Jong. Namens RTV Rijnmond vroeg De Jong of ik soms naar Rotterdam was gekomen om mijn vooroordelen bevestigd te zien. Ondanks de vriendelijke en belangstellende toon merkte ik een verondersteld dedain: Amsterdammer komt alleen naar Rotterdam om narigheid te zien. De veronderstelling verbaasde me. Het dedain ten aanzien van zijn stad herkende ik totaal niet.

Tekenend is misschien wel, dat ik in 1995 géén uitnodiging van RTV Rijnmond kreeg toen ik samen met Ronald Hoeben een omslagverhaal schreef met de titel ‘Geef mij maar Rotterdam’. Na onze uitgebreide lofzang op de culturele en culinaire vernieuwingen in de Maasstad, van Hotel New York tot de Kunsthal en Grand Café Loos, bleef het stil. Raar toch?

De stad vertoonde geen gaten meer, stelden we in het grachtengordelblaadje, het was er nu goed toeven, de stad was ‘af’. Maar enkele gesprekspartners opperden juist dat Rotterdam nooit af zou komen: de wens om zich te verbeteren zou onuitroeibaar zijn. Met andere woorden: het ongenoegen met de eigen stad zit zo diep dat het ene gebouw gewoon wordt afgebroken om er iets nóg groters en mooiers voor in de plaats te zetten. De stad als perpetuum mobile.

Na een bezoek aan de Markthal was ik vorig jaar blij dat Rotterdam opnieuw iets leuker was geworden. Om mij vervolgens te verbazen over het gekanker op het mega-eetproject — ‘yuppenhut’ — door veel Rotterdammers. Alsof het succes hen verlegen maakte.

Misschien is dat de kern van het probleem: de walging van tevredenheid. En als die lui uit 020 íéts weerspiegelen, is het dat wel. Zeker als ze De Kuip inlopen om er tegen een bal te komen trappen. Dan gaan de vingers omhoog. Dan moet de kankertyfustevredenheid dood.