Dat Rotterdamse calimerocomplex was er altijd al

Amsterdam en Rotterdam; de onderlinge haat en nijd tussen beide steden bestaat letterlijk al eeuwen. NRC-redacteur Mirjam Remie, Amsterdamse met Rotterdamse roots, houdt van allebei.

Ik loop met mijn vader langs de Maas, op de kop van Zuid in Rotterdam. Ik ben een jaar of tien. We zien gele watertaxi’s op de brede rivier, de Erasmusbrug, wolkenkrabbers, silhouetten van hijskranen in de grijze, mistige verte. Mijn vader wijst me op de weidsheid van de stad, deze wereldse stad, waar wij wonen. Ik voel me trots.

Vijftien jaar later loop ik met mijn vader langs het IJ, in die andere wereldstad: mijn nieuwe woonplaats. We zien het imposante EYE aan de overzijde, veerponten vol fietsen en mensen, een aangemeerd cruiseschip in de verte. Mijn vader grapt: dat van die historische binnenstad vind ik best. Maar dat Amsterdam dat grootstedelijke nou óók al moet hebben!

Geen Van Dobbenkroketten: „dat is Amsterdams”

De strijd tussen Amsterdam en Rotterdam is vooral in Rotterdam voelbaar, merk ik, nu beide steden als ‘mijn stad’ voelen. Daar krijg je in de snackbar te horen dat er géén Van Dobben-kroketten zijn, „want dat is Amsterdams”. Daar veroorzaakt een campagnebord voor de domeinnaam .amsterdam massaal hoongelach. En daar ondertekenden bijna duizend mensen een petitie tegen de naam ‘Ajaxstraat’ in een buurt in Crooswijk.

Natuurlijk, ook in Amsterdam leeft de aversie tegen ‘010’. Er zijn verhalen van André Hazesfans die een concert in Ahoy weigerden te bezoeken. Parool-columnist Mano Bouzamour schreef onlangs nog een column: „Manhattan aan de Maas? Laat me niet lachen.” Maar dat er even ‘rdam centraal’ op het station van Amsterdam stond, vonden ze vooral in Rotterdam vermakelijk. In Amsterdam maakt men zich daar niet druk over.

Waar komt dat Rotterdamse ‘underdoggevoel’ vandaan?

Waar komt dat Rotterdamse ‘underdoggevoel’ vandaan? De rivaliteit tussen Amsterdam en Rotterdam bestaat al sinds de 17de eeuw, zegt Paul van de Laar, hoogleraar geschiedenis aan de Erasmus Universiteit en directeur van Museum Rotterdam, en is niet uitzonderlijk. Kijk naar Liverpool en Londen, Marseille en Parijs, Hamburg en Berlijn. Vaak zijn het havensteden die in korte tijd sterk groeiden die aan het ‘tweedestadsyndroom’ lijden.

De oorsprong is economisch. Na de val van Antwerpen in 1585 werd Amsterdam de eerste handelsstad. Dat gaf de nieuwe nummer twee hoop: waarom zou zo’n verschuiving niet nog eens kunnen plaatsvinden? Vooral na de Franse tijd, na 1815, begon bij de Rotterdamse elite het idee te leven dat het gunstiger gelegen Rotterdam weleens de belangrijkste stad van het land zou kunnen worden.

Meedoen met de groten

Dat gebeurde niet. Amsterdam bleef het financiële centrum. Maar Rotterdam groeide, de maakindustrie bloeide. De Nieuwe Waterweg werd eind 19de eeuw aangelegd. Na het bombardement op 14 mei 1940 werd er gebouwd en gebouwd. Rotterdam werd de grootste havenstad ter wereld. Feyenoord haalde in 1963 de halve finale van de Europacup. Als eerste stad in Nederland kreeg Rotterdam een metrolijn. Er gloorde perspectief, vertelt de Rotterdamse socioloog Jan Rath (Universiteit van Amsterdam), die opgroeide tussen het geluid van heimachines. „Dat Rotterdam een stad was waar je kon meetellen, meedoen met de groten van de wereld.” Het zou alleen maar beter worden.

Maar het liep anders. De maakindustrie implodeerde. Machines namen het werk in de haven over; weg banen voor laagopgeleiden. Amsterdam, de stad met een hoger besteedbaar inkomen, meer één- en tweepersoonshuishoudens en meer hoogopgeleiden, wist de slag naar een diensteneconomie te maken. Rotterdam worstelt daar nog altijd mee, zegt socioloog Marguerite van den Berg, verbonden aan de UvA, die haar proefschrift over Rotterdam schreef. Kijk maar naar het imago van beide steden. Rotterdam: massastad van harde werkers, handen uit de mouwen, niet lullen maar poetsen. Amsterdam: anarchistisch, intellectueel, stad van de culturele elite. Amsterdam is ook een havenstad, maar heeft zijn identiteit nooit aan de industrie ontleend. Van den Berg: „De Rotterdamse mythologie hangt samen met een economie die er niet meer is.”

Tekenend is de Rotterdamse reactie op een marketingcampagne van Amsterdam in de jaren ’80. Amsterdam kwam met de leus: „Amsterdam heeft het”. Waarop Rotterdam reageerde: „Rotterdam maakt het”. (En Jules Deelder parodieerde: „Amsterdam heeft het. Ja, en anders jatten ze het wel”).

Moddergooien

De rivaliteit werd ondertussen versterkt door de stadsbesturen zelf. Altijd de strijd om meer overheidsgeld. Krijgt Rotterdam de Nieuwe Waterweg? Dan Amsterdam het Noordzeekanaal. Toen koningin Juliana in 1958 het startsein gaf voor de aanleg van Europoort werd het moddergooien, zegt historicus Van de Laar. Door burgemeesters Van Hall (020, uit nijd) en Van Walsum (010, uit borstklopperij). Het Algemeen Handelsblad sprak van „grootheidswaan” van Rotterdam.

En nu is het andersom: Rotterdam baalt dat Amsterdam meer geld krijgt. Begin deze eeuw riepen bestuurders uit strategisch oogpunt te pas en te onpas dat het in Rotterdam zo slecht ging, zegt Van den Berg. „Vooral burgemeester Opstelten deed dat voortdurend. Dat voedde het calimerocomplex van Rotterdam.”

Het underdoggevoel komt ook wel een beetje door de arrogantie van de macht, denkt Rath. „Amsterdam heeft toch een beetje een houding van: je hebt Amsterdam en de provincie, en dat zijn allemaal sukkels.” Dat veel media in Amsterdam zitten en Amsterdamse journalisten in dienst hebben die Amsterdamse onderwerpen uitkiezen, helpt natuurlijk niet. „Theaterfestival De Parade komt pas op tv als het in Amsterdam is.”

Met de Markthal en het Centraal Station oogst Rotterdam (inter)nationale bewondering. Maar dat Het Parool onlangs schreef dat Rotterdam ‘hot’ is („meer Amsterdammers verhuizen naar Rotterdam”) roept in Rotterdam irritatie op. „Alsof Rotterdam hip is nu de Amsterdammers het hebben ontdekt”, zegt Van den Berg.

Het is best lekker, de underdog zijn

Dat is de dubbelzinnigheid van het Rotterdamse calimerocomplex. Enerzijds is er de pijn, dat het altijd maar gaat over die andere stad. De pijn die ervoor zorgde dat ik de wandeling langs de Maas nog vaak zou maken, met vrienden van elders, in de hoop dat zij zouden ervaren wat ik die dag als meisje zag.

Anderzijds is er die nuchtere houding: blijf toch lekker weg allemaal, wij hoeven hier geen toeristen, laat ons vooral de tweede stad blijven. Het is namelijk best lekker, de underdog zijn.