Dansen in de herrie van ‘t naaiatelier

In het toneelstuk Fresh Young Gods zorgen twee topmannen van Shell voor een wereldwijde oliecrisis. Een echte complottheorie. De dansvoorstelling Made in Bangladesh is veel serieuzer over de arbeidsomstandigheden in Azië.

Het is een van de meest hartverscheurende foto’s die werd gemaakt na de ineenstorting van de Bengaalse kledingfabriek Rana Plaza in 2013. In het puin liggen een man en een vrouw, hij met zijn arm beschermend om haar vreemd achterover gebogen lichaam. Beiden grijs van het stof, beiden dood.

Bij dat beeld laat de Duitse regisseur/choreografe Helena Waldmann haar voorstelling Made in Bangladesh, onderdeel van het India Dans Festival in Den Haag, stilvallen. Even geen oorverdovend geratel van naaimachines, geen stampende voetritmes, geen orders uit de intercom. Alleen die twee doden, geslachtofferd voor de (westerse) honger naar zo goedkoop mogelijk geproduceerd textiel: vlak voor het verschijnen van de foto vertelt een op het achterdoek geprojecteerd staatje dat in de tijd dat het publiek tot dan toe naar de voorstelling heeft gekeken, een arbeidster uit een Bengaals naaiatelier nog geen 20 eurocent heeft verdiend, terwijl de Duitse textielindustrie in hetzelfde tijdsbestek een half miljoen euro aan inkomsten binnenhaalt. De toeschouwer weet dan ook al dat protest, lunch- en plaspauzes niet zijn toegestaan en dat de arbeiders vrolijk dienen te lachen als er bezoekers zijn.

Nee, geen misverstand mogelijk: Helena Waldmann maakt onversneden politiek theater.

In haar gebruik van film, foto’s, geluid en tekst is Waldmann in Made in Bangladesh, gecreëerd in Dhaka en Berlijn, weer behoorlijk direct. Gelukkig heeft haar choreografie genoeg esthetische kwaliteiten en is die, gezien als hedendaagse kathakvoorstelling, bijzonder. De complexe voetroffels en ‘bols’ (ritmische lettergreepcombinaties) die de twaalf Bengaalse dansers uitvoeren, vermengen zich met de herrie van het naaiatelier, hun gestileerde, exacte armbewegingen lijken te verwijzen naar de eindeloos herhaalde handelingen van stof afmeten, nieuwe draden pakken, kleding stapelen. Razendsnel om hun assen tollend lijken ze op de spoelen van hun machines.

Toch begint het rechtstreekse karakter uiteindelijk een beetje te storen, en wel als Waldmann in het tweede deel van de voorstelling een link legt met de arbeidspositie van (westerse) dansers. Die werken ook keihard voor weinig geld, lijden als gevolg van hun werk fysieke schade, zijn nooit zeker van een baan en afhankelijk van de luimen van hun bazen. Allemaal waar, maar toch een tikkie minder erg dan het lot van de arbeidsters van Rana Plaza, de vergelijking heeft iets ongepasts.