Column

Boomtuintje

Tot voor kort had ik nooit van boomtuinen gehoord, maar een buurman maakte enthousiast een einde aan mijn onwetendheid. Hij stelde ons voor zulke tuintjes aan te leggen rond de stam van twee oude, eerbiedwaardige iepen voor ons appartementengebouw. Mijn vrouw reageerde instemmend, ik terughoudend.

Ik ben geen bevlogen tuinier. Een van de voordelen van de overgang van een huis naar een appartement was voor mij het afscheid van het tuingebeuren. Geen grasmaaien meer, geen gedoe met plantjes die het wel of niet deden. Ik ben niet trots op deze natuurbarbarij, maar ik hoef er ook geen geheim van te maken. Mijn vrouw heeft zich erbij neergelegd en zei daarom meteen: „Ik zal die plantjes wel water geven.”

De buurman ging aan de slag, met nog een andere buurman, en zo ontstonden twee keurige boomtuintjes. Ze hoefden alleen nog maar onderhouden te worden – en niet door mij, dus wat wilde ik nog meer? Ik moest bekennen dat ik vanuit de hoogte van mijn woning af en toe tevreden neerzag op de twee prille plantenrijkjes, waarvan mijn vrouw er – met enkele andere buren – één moest verzorgen. „Goed werk”, mompelde ik af en toe als ze met hun gietertjes in de weer waren.

Wel merkte ik dat het enthousiasme van mijn vrouw iets begon af te nemen, toen ze hondendrollen in het boomtuintje aantrof. Dat blijft een eigenaardige gewoonte van hondenbezitters: ze laten hun hond liever in jouw tuin poepen dan in de hunne. Gelukkig bleek ze handig in het oprapen van de drollen: ze gebruikte er plastic boterhamzakjes voor die ze snel en efficiënt om de drollen vouwde, alsof ze een dierbaar kleinood opraapte.

Dat was niet het enige ongerief. Af en toe stapte er een werkman of wildplasser ruw door de planten, omdat ze geen zin hadden in een omweg. Mijn vrouw moest dan ijlings naar beneden om hen op hun ongemanierdheid te wijzen. Dat kon leiden tot bittere dialoogjes. Ook moest ze in de slag met de bezitters van de poepende honden als ze hen op heterdaad betrapte, wat zelden lukte.

Kortom, om zo’n boomtuintje te laten floreren moest je de ijver van de tuinier combineren met de waakzaamheid van de wijkagent. En de hondendrol diende je te accepteren als een soort natuurverschijnsel: je kon hem opruimen, maar hij kwam altijd terug, zij het nooit in precies dezelfde gedaante.

Maar in praktische zin leek alles goed geregeld: de taken waren verdeeld, de tuin stond onder streng toezicht.

Toen brak mijn vrouw haar enkel en werd ik uit, misschien wel overdreven, solidariteit waarnemend boomtuinbeheerder tegen wil en dank. Dat betekende dat nu ik de confrontatie met de hondendrollen, de hondenbezitters en de achteloze burgerij aan moest. Ook moest ik drie, vier keer per week met een topzwaar gietertje twee trappen afdalen – zonder te morsen. Het leven kan, zoals bekend, hard en onrechtvaardig zijn, zeker voor een man met een vrouw die een gebroken enkel heeft.

Ook voor het tuintje liep het slecht af. De bodem bleek weinig vruchtbaar en de meeste planten kwijnden weg. Wat te doen, vroegen we aan de buurmannen. Doorgaan natuurlijk, zeiden ze, nieuwe planten, nieuwe kansen. Het zijn reuze positief ingestelde buurmannen. Mijn vrouw en ik keken elkaar aan. Zagen we de pet van de wijkagent op elkaars hoofd? Het zou kunnen. Hoe dan ook, met opvallende eensgezindheid zeiden we: „Sorry, maar zonder ons.”