Willem Aantjes, slachtoffer van een gebrek aan nuance

Op de avond van 6 november 1978 wordt een einde gemaakt aan het politieke leven van Willem Aantjes. De executeur heet Loe de Jong, directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD, tegenwoordig NIOD) en het gebeurt voor het oog van de tv-camera.

De Jong, op zijn specialisatie, de Tweede Wereldoorlog, een man van bijna onaantastbaar gezag, toont zich op een persconferentie onderzoeker, officier van justitie én rechter tegelijk. Hij klaagt aan en veroordeelt: Aantjes, de fractieleider van het CDA in de Tweede Kamer, is in de Tweede Wereldoorlog SS’er geweest, in vreemde krijgsdienst dus, is dus eigenlijk geen Nederlander meer en had nooit in de Tweede Kamer zitting mogen nemen – waarvan hij al twintig jaar lid is.

Willem Aantjes in 9 foto’s: 

De val van de donderdag op 92-jarige leeftijd overleden Willem Aantjes op die gedenkwaardige avond en vooral de reden waarom is een van de schokkendste politieke gebeurtenissen in het naoorlogse Nederland.

Willem Aantjes wordt geboren op 16 januari 1923 in Bleskensgraaf, als tweede van drie zonen. Bleskensgraaf ligt in de Alblasserwaard, dan een geïsoleerde polder in Zuid-Holland, godsdienstig overheerst door de Gereformeerde Bond in de Nederlands Hervormde Kerk. Dat betekent politiek gesproken gewoonlijk een oriëntatie op de SGP, maar de familie Aantjes behoort tot de ‘gematigde bonders’ – Willem mag fietsen op zondag – en in navolging van vader Klaas wordt hij lid van de Anti-Revolutionaire Partij (ARP).

Burgemeesterszoon actief in ARP

In 1950 wordt Aantjes sr. benoemd tot burgemeester van Hendrik-Ido-Ambacht. Luttele maanden later overlijdt hij op 56-jarige leeftijd na een ziekte. Zoon Willem, dan 28, heeft al duidelijk bestuurlijke ambities. Onafhankelijk van elkaar solliciteren hij en zijn ruim twee jaar oudere broer Jan naar de post die door het overlijden van hun vader was vrijgekomen. Ze worden het geen van beiden.

Eén jaar later treedt Willem in dienst bij de Nederlands Christelijke Aannemers- en Bouwvakpatroonsbond (NCAB). Hier treft hij invloedrijke ARP’ers en in de partij zelf wordt Aantjes ook actiever. Hij positioneert zich aanvankelijk op de rechterflank. Zo keert hij zich in het maandblad Anti-Revolutionaire Staatkunde tegen de invoering van de AOW. In 1959 treedt de ARP toe tot het kabinet-De Quay, waardoor er in de Tweede Kamerfractie een plaats vrijkomt voor Aantjes, dan 36 jaar.

De visserijbegroting wordt zijn eerste klus, al zaait de wijze waarop Aantjes dat verneemt enige verwarring bij hem. In een restaurant hoort hij, met de kaart voor ogen, van fractiesecretaris Van Eijsden: „Doe jij maar de vis.” Even veronderstelt het nieuwe Kamerlid, backbencher nog, dat hij zelfs niet vrij is in zijn menukeuze.

Later ontpopt Aantjes zich tot specialist volkshuisvesting, in de jaren zestig met de woningnood nog verre van opgelost, in de politiek een belangrijk onderwerp. Hij trekt in 1970 de aandacht met een – afgewezen – voorstel om de bouwvakvakantie voor één keer naar de winter te verschuiven om zo de bouwproductie te stimuleren.

Achtervolgd door oorlogsverleden

Terwijl Aantjes’ ster rijst, in 1966 kiest de AR-fractie hem tot vicevoorzitter, wordt hij achtervolgd door zijn oorlogsverleden. In 1967, bij de vorming van het kabinet-De Jong ziet de fractieleider van de ARP, Biesheuvel, in Aantjes de geschikte minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VROM). Zijn kandidatuur wordt openbaar, en dat is voor degenen die iets weten of denken te weten van Aantjes’ gedragingen in de oorlog het signaal om – soms andermaal – in de pen te klimmen. Het gaat om klas- of schoolgenoten, maar ook om oorlogsgevangenen die Aantjes in het strafkamp Port Natal bij Assen hebben meegemaakt.

ARP-voorzitter Berghuis en Biesheuvel komen tot de overtuiging dat Aantjes geen minister kan worden. Aantjes zelf laat toekomstig premier De Jong weten dat hij twijfelt aan zijn psychische geschiktheid voor het ministerschap – hij is enkele jaren geleden behandeld na een zenuwinzinking – en in het openbaar dat hij „om strikt persoonlijke redenen” van het ministerschap afziet.

Dienaar van de Kroon mocht Aantjes niet worden, ook later niet, maar in de pikorde van de ARP blijft hij stijgen. In 1971, als het kabinet-Biesheuvel aantreedt, wordt Aanjes leider van de Tweede Kamerfractie. En van de rechtervleugel in de partij schuift hij geleidelijk naar de linkervleugel.

Het kabinet-Biesheuvel houdt het maar twee jaar vol en wordt, na verkiezingen, gevolgd door het linkse kabinet-Den Uyl. Aantjes behoort tot de acht van de veertien AR-Kamerleden die met de komst van dit kabinet instemmen. Met veel moeite, zich vooral bedienend van Bijbelteksten, weet hij de achterban van de ARP, die allerminst gecharmeerd is van de PvdA en Den Uyl, tot bedaren te brengen.

De markante Bergrede

Het zijn de jaren van polarisatie waarin met name bij de PvdA hoop leeft dat de afkalvende confessionele partijen een kopje kleiner kunnen worden gemaakt. Het loopt anders: het CDA, resultaat van een fusie tussen KVP, ARP en CHU, wordt de jaren daarna de machtigste partij. Aantjes behoort tot de AR-vleugel die de totstandkoming van het Christen Democratisch Appèl met argwaan beziet. Waar Aantjes het evangelie als de absolute richtsnoer voor het politieke handelen ziet en meent dat alle CDA-leden zich daaraan moeten binden, verkiest de rooms-katholieke KVP een pragmatischer benadering.

Een markant moment in dit dispuut is de ‘Bergrede’ die Aantjes houdt op het eerste CDA-congres uit de geschiedenis, op 23 augustus 1975 in het Haagse Congresgebouw. Met trillende lip verwijst hij naar Mattheüs 25: „De hongerigen worden niet gevoed. Zij sterven als ratten. [..] De dorstigen worden niet gelaafd. Zij worden aan hun lot overgelaten. [..]En de vreemdelingen worden niet gehuisvest. Zij worden gediscrimineerd en uitgewezen. [..] De wereld húnkert naar christelijke politiek.”

Behalve als die man die fout was in de oorlog zal Aantjes later vooral door deze rede worden herinnerd. In de zaal zitten CDA-leden met tranen in de ogen als ze Aantjes een donderend applaus geven. Maar hij krijgt niet zijn zin bij zijn pogingen om het CDA aan zijn richtsnoer te binden. En KVP-leider Dries van Agt reageert ontnuchterend: „Het huis openen voor iedere vreemdeling die aanklopt, dan zitten we meteen in de immigratiepolitiek. In de praktijk kan dat natuurlijk helemaal niet.”

Willem Aantjes krijgt een grote troostprijs: hij wordt fractieleider van het CDA. Ook al is hij een van de zes, later zeven, ‘loyalisten’ binnen de fractie die in 1978 weigeren zich te binden aan het kabinet van Van Agt (CDA) en Wiegel (VVD). Het kabinet moet steeds maar afwachten of de gedoogsteun die zij zuinigjes hadden toegezegd, in de praktijk een meerderheid in de Tweede Kamer oplevert. In deze positie wordt Aantjes, in de woorden van fractiegenoot Sytze Faber, „de machtigste man van Nederland”.

Tot hij met donderend geraas van zijn voetstuk valt. Aanhoudende geruchten over zijn oorlogsverleden en informanten die zich tot het instituut hadden gewend, leiden tot het RIOD-onderzoek. Bij Loe de Jong speelt daarbij de vrees mee dat Aantjes chantabel is.

Loe de Jong is slordig geweest

Later blijkt uit een onderzoek van een ‘Commissie van Drie’ dat De Jong slordig is geweest en de beschuldigingen tegen Aantjes veel te zwaar heeft aangezet. Hij was geen lid geweest van de Waffen-SS zoals De Jong had beweerd. Aantjes had zich in 1944 gemeld voor de (niet-militaire) Germaansche SS, in een mislukte poging om uit Duitsland – waar hij als postbode te werk was gesteld – weg te komen en in Nederland onder te duiken. Hij belandde in het strafkamp Port Natal, omdat hij geweigerd had het uniform van Landstorm Nederland, onderdeel van de SS, aan te trekken.

In het Nederland van de jaren zeventig maken deze nuances weinig indruk. Fout in de oorlog is fout in de oorlog en voor grijstinten is geen ruimte. In al zijn eigen beweringen over zijn oorlogsverleden heeft Aantjes bovendien al die jaren steeds zorgvuldig de letters SS vermeden. De politicus die anderen moreel de maat nam, had deze ongemakkelijke feiten altijd voor zich gehouden. Zelf geeft hij die fout toe. „Er had een moment moeten zijn waarop ik zelf had bedacht nu vertel ik het”, zei hij in een vraaggesprek met NRC Handelsblad op 26 januari 2008.

Verongelijkt ging Aantjes sinds zijn val door het leven. Lange tijd sloeg hij geen CDA-congres over en prominente partijgenoten herinnerde hij er bij voortduring aan dat na het ‘eerherstel’ dat hem min of meer was gegeven – zo zag hij het althans zelf – hij recht had op een publieke functie. Een genante reeks mislukkingen was het gevolg – ‘ze’ moeten hem niet meer. In arren moede – hij had letterlijk het geld nodig – aanvaardde hij dan maar het voorzitterschap van de Kampeerraad.

Daarna deed hij vergeefse pogingen om in het partijbestuur van het CDA en in de gemeenteraad van Utrecht te worden gekozen. CDA-staatssecretaris Heerma bezorgde hem in 1988 dan toch een functie met enige status: vicevoorzitter van de Raad voor de Volkshuisvesting. De politieke spanningen, aldus de lezing van Aantjes, vader van drie kinderen, kostten hem in 1995 ook zijn huwelijk (met een Duitse vrouw); in 2000 hertrouwde hij.

In 2001 werd hij publiekelijk gerehabiliteerd. In 2001 gaf Dries van Agt, premier toen het RIOD-rapport verscheen, in het tv-programma Het zwarte schaap toe dat Aantjes slecht was behandeld, „want hij had vrijwel niets misdaan”. Aantjes zelf reageerde berustend en verzoenend: „Ik heb de wens om in vrede met God en alle mensen te overlijden. En wat de mensen betreft ben ik een heel eind.”

Hij bleef zich tot op hoge leeftijd publiekelijk met de politiek bemoeien. In 2010 piekte de media-aandacht rond hem, omdat Aantjes een van de eersten was die kritisch waren over de eventuele samenwerking van zijn CDA met de PVV van Geert Wilders. Bij de Tweede Kamerverkiezingen van juni 2010 ging zijn stem naar de ChristenUnie, omdat het CDA zich in de verkiezingscampagne niet had uitgesproken tegen een coalitie met de PVV. „Een stem op het CDA betekent nu dat je verantwoordelijkheid neemt voor een coalitie CDA, VVD én de PVV. Die verantwoordelijkheid kan ik niet nemen.”

Aantjes liet zich nadien steeds en vasthoudend kritisch uit over de coalitie met de PVV. Zelfs toen de drie partijen in het Catshuis in 2012 onderhandelden over extra bezuinigingen, pleitte Aantjes ervoor om de uitkomst van dat akkoord aan de CDA-leden voor te leggen. Het kabinet viel en huidig CDA-leider Sybrand van Haersma Buma heeft inmiddels de PVV uitgesloten als regeringspartij.

De val van Aantjes was in 2013 het onderwerp van een tv-serie. Toen blikte hij in NRC nog een keer terug. Of hij zich slachtoffer voelde van Loe de Jong? „Ik ben ook slachtoffer geworden van mijn eigen fouten, hoewel ik daar moreel gesproken voor sta, tot op de dag van vandaag. Wat ik De Jong erg kwalijk neem, is dat hij alles geschematiseerd heeft in goed of fout.”

Dit artikel is voor een belangrijk deel gebaseerd op het proefschrift ‘De val van een Bergredenaar’ (2002) van Roelof Bouwman dat in boekvorm is uitgegeven door Boom.