Tijdreis door een oeuvre

Op de tentoonstelling van de Franse kunstenaar Dominique Gonzalez-Foerster in Centre Pompidou maak je een reis van 1887 naar 2058.

Twee kamers van Dominique Gonzalez-Foerster in Centre Pompidou: Nos années 70 (1992) enRWF (1993) Foto’s Grégoire Vieille/ Adagp, Paris 2015

De Franse kunstenaar Dominique Gonzalez-Foerster houdt van boeken. Het is dan ook veelzeggend dat het vroegste werk op haar grote overzicht in het Centre Pompidou in Parijs bestaat uit een bescheiden boekenkast. Alleen draaide Gonzalez-Foerster de constructie om: bij deze kast bestaan de dragers aan de twee zijkanten uit grote stapels boeken (opvallend genoeg vooral in het Duits) en staan de planken vol met bakstenen.

Het lijkt een flauwe geste, maar voor Gonzalez-Foerster is het een statement: trek er één boek uit, of twee, en de hele constructie dondert in elkaar. Net zoals in haar oeuvre.

Dominique Gonzalez-Foerster (Straatsburg, 1965) is in Nederland geen heel grote naam, al wordt ze meestal gerekend tot de ‘Hans-Ulrich Obrist-generatie’: kunstenaars als Pierre Huyghe, Philippe Parreno, Rirkrit Tiravanija en Tobias Rehberger, allemaal rond de vijftig nu, die vanaf het einde van de jaren negentig, onder de vleugels van het vliegende curatorenkanon Obrist de kunstwereld bestormden. Hun werk is altijd intellectualistisch, gelaagd en vooral: het gaat altijd over de complexe manier waarop schijnbaar willekeurige gebeurtenissen, ideeën en vormen invloed op elkaar hebben.

Voor de generatie Obrist is de wereld een groot complex, jungiaans netwerk – trek ergens aan A en bij Q, een eind verderop, begint het te trillen. Maar hoe laat je dat zien? Juist die oeuvre-achtige complexiteit maakt de afzonderlijke werken van deze kunstenaars vaak moeilijk te doorgronden. Ze missen dan lading, achtergrond. Buiten de context van het oeuvre zijn het sterren zonder universum.

Precies om die reden zijn overzichtstentoonstellingen van deze generatie extra interessant – wat vorig jaar al werd bewezen door twee ambitieuze, opvallend populaire Parijse exposities van Huyghe en Parreno. En dat geldt ook voor Gonzalez-Foerster, die haar Pompidou-tentoonstelling opbouwt als een tocht langs verschillende kamers die elk een ‘tijdperk’ vertegenwoordigen – de onmogelijkheid om de tijd te beheersen en verwijzingen naar de relativiteitstheorie zijn bij Gonzalez-Foerster nooit ver weg.

De ‘oudste’ kamer speelt in 1887 en gaat over het Splendide Hotel in Aden, Jemen, waarover ze al eerder een klein boek publiceerde en waarin volgens haar allerlei gebeurtenissen bij elkaar komen die grote invloed op de toekomst zouden hebben. Vervolgens gaan we onder andere naar 1975 (een reconstructie van Gonzalez-Foersters tienerkamer) en een geweldige zaal die vol hangt met allerlei kledingstukken uit haar eigen leven – en die mooi laat zien hoe de verandering van mode en persoonlijkheid door de tijd heen elkaar beïnvloeden. Zo reizen we naar 2058 (een verlaten, woestijnachtig panorama zoals je die wel ziet in natuurhistorische musea), om te eindigen bij het zogenaamde Cosmodrome (2001): een diepdonkere ruimte waarin een zee aan lampjes een fictief sterrenspektakel voor je opvoert.

Het mooie aan de tentoonstelling is dat je voortdurend voelt dat bij Gonzalez-Foerster de dingen meer zijn dan ze lijken. Door kleine veranderingen, vervreemdingen, correcties zet ze betekenissen voortdurend op de helling en trekt ze jou, als toeschouwer, haar logica in, haar wereld. Alleen: daarbij maakt ze het de toeschouwer niet gemakkelijk. Zo zit haar werk soms zo stikvol verwijzingen naar de Franse cultuur, liefst uit de jaren zeventig, dat je als niet-Fransman af en toe stevig moet doorbijten – wat vermoedelijk meteen haar beperkte populariteit buiten Frankrijk verklaart.

Maar stap je daar overheen, dan is haar tentoonstelling een mooie ontdekkingsreis, net zoals een tocht door iemands boekenkast dat kan zijn, of een avond staren naar de sterrenhemel: verrassend en ontregelend – met af en toe een mooi nieuw vergezicht.

    • Hans den Hartog Jager