Column

Sjlemiel

Stil en ongezien sterft het Jiddisch in Nederland. In de negentiende eeuw was het een in heel Europa bloeiende minderheidstaal waarvan ook een eigen Nederlands dialect bestond, een taal waarover we meer zouden moeten weten om de geschiedenis van die minderheid én de Nederlandse samenleving te kunnen begrijpen. Iedere dag zakt die kennis verder weg.

Je ziet het aan details. Neem de spelling van schlemiel (‘pechvogel’), een van de vele woorden die onze taal aan het Jiddisch ontleend heeft – andere zijn bolleboos, jatten en tof. Als je het als Jiddisch woord opschrijft schrijf je sjlemiel, zoals we ook sjabbes schrijven, en sjleppen. Om onnaspeurlijke redenen wordt schlemiel, ondanks protesten door minnaars van het Jiddisch, geschreven alsof het een Duits woord is.

Ja, ook die taal heeft het vast uit het Jiddisch geleend, maar waarom zouden wij ons daar iets van aantrekken? Toch staat het in de onlangs verschenen Van Dale en het Groene Boekje onveranderlijk met sch gespeld. Het is symbolisch voor het lot van de taal in Nederland. In de loop van de zestiende en de zeventiende eeuw streek hier een betrekkelijk grote groep Joden uit Centraal- en Oost-Europa neer. Zij spraken Jiddisch, een aan het Duits verwante taal met veel Hebreeuwse en Slavische woorden. Omdat hun geen staatsburgerschap werd verleend, was de drang tot integratie en assimilatie gering. Onderling bleven ze eeuwenlang Jiddisch spreken, zij het gaandeweg in een eigen, van het Duitse onderscheiden, dialect.

Aan het begin van de negentiende eeuw werden de Joden officieel onderdaan. Daarna zette de regering onder Willem I en zijn opvolgers sterk in op assimilatie: iedereen moest Nederlands spreken, ook op school en in de synagoge. Zelfs de Tora werd vertaald.

Gemeten naar de eigen maatstaven was dat beleid succesvol: zo’n honderd jaar geleden was het Nederlandse Jiddisch waarschijnlijk niemands moedertaal meer. De taal ging ondergronds in allerlei Nederlandse uitdrukkingen die soms als dieventaal, bargoens, werden beschouwd – bajes voor gevangenis, temeier voor hoer – en soms als authentiek Nederlands dialect. Een voorbeeld van dat laatste is attenoje (‘mijn God’, van de Hebreeuwse naam voor God Adonai). In allerlei steden wordt dit gezien als een lokaal dialectwoord – in Den Bosch is er bijvoorbeeld een carnavalsclub die zo heet – zonder dat men zich per se bewust is van de Jiddische wortels.

Ook in Joodse kring loopt het gebruik van Jiddische woorden en uitdrukkingen terug. Ze worden geassocieerd met de armoe en ellende van vroeger. „Ik heb ze nooit aan mijn kinderen geleerd”, vertelde een vrouw me laatst. „Ik vond ze te plat en te vulgair.” Inmiddels heeft ze daar spijt van, maar haar kinderen associëren zich liever met het stoere Hebreeuws van de moderne tijd.

Als een symbolisch gebaar heeft de Nederlandse regering in de vroege jaren negentig het Jiddisch als officiële minderheidstaal erkend, net als onder andere het Fries en het Limburgs. Alleen staat er geen eurocent aan subsidie tegenover. Deze zomer overleed onverwacht de enige hoogleraar Jiddisch die Nederland kende, de beminnelijke geleerde Shlomo Berger. Het is onzeker dat hij vervangen zal worden. En zo wordt het Jiddisch langzaam de sjlemiel van het Nederlands erfgoed. Pardon, de schlemiel.