Scènes uit het leven van een Limburgs meisje

Vijftig jaar geleden moesten de staatsmijnen in Limburg sluiten. De welvaart die toen beloofd werd bleef uit. Cultuurhistoricus Marcia Luyten beschrijft welke gevolgen de geschiedenis had op haar dagelijkse leven.

Scène 1 De Huishoudschool

Bij ons thuis is niet lang gesproken over de middelbare school waar ik naartoe ging. Ik kon naar het gym dus ging ik naar het gym. De vanzelfsprekendheid van die keuze lag besloten in mijn moeders jeugd. Een kwart eeuw eerder was er meer te doen geweest over haar middelbare school. Mijn moeder was het twaalfde kind van een kleine boer die bovengronds zijn land bewerkte en honderden meter ondergronds ging om steenkool uit de aarde te schrapen. Ook haar vader was voor een oudergesprek naar school gegaan. Daar had hij gehoord dat Jeanne het slimste meisje van de klas was, zo pienter en gemotiveerd zag het schoolhoofd ze zelden. De meester raadde aan haar naar de Mulo te sturen.

Opa had geantwoord dat alleen zijn zonen konden doorleren. Als Jeanne per se wilde, mocht ze naar de huishoudschool. Die scholen waren er in overvloed, nadat er decennia eerder om was geschreeuwd. In 1914 vroeg De Kerkraadsche Courant om „een flinke huishoudschool, waar onze toekomstige huisvrouwen worden opgeleid voor de gewichtige taak die haar wacht. Orde en netheid in huis zijn de beste medicijnen om den man tot een huisvader te maken…. Dan blijft hij uit de kroeg, waar hij een gedeelte zijner zuur verdiende centen achterlaat.”

Toen begin twintigste eeuw de steenkoolindustrie de streek in bezit nam, moest van keuterboeren toegewijde mijnwerkers worden gemaakt. Waar tot dan toe man en vrouw samen het land hadden bewerkt en hun beesten verzorgd, veranderde hun samenleven ingrijpend.

De man ging in loondienst, de vrouw bestierde in een speciaal voor mijnwerkers gebouwde kolonie een arbeiderswoning. Alleen een warm en veilig nest zou de nieuwbakken arbeider behoeden voor het rode gevaar en moreel verval. Dat nest moest zo veel mogelijk katholieke nazaten grootbrengen. In het publieke leven hadden vrouwen weinig te zoeken.

Het schoolhoofd kwam naar de boerderij van mijn opa om de vrome man over te halen zijn jongste dochter te laten doorleren. Opa was onvermurwbaar.

Scène 2 De misdienaar

Elke zondag bracht ik met mijn vader, moeder en broers in de kerk het meest dooie uur van de week door. Niets te lezen behalve het misboek en dat kende ik van buiten – mijn broer en ik speelden thuis ‘misje’. In lijzig prevelen dreunden we gebeden op. Broer ‘de pastoor’: „Zie het Lam Gods dat wegneemt de zonden der wereld.” Ik, ‘de gelovige’: „Heer, ik ben niet waardig dat Gij tot mij komt, maar spréék en ik zal gezond worden.”

Alleen de twee jongens in het wit hadden in de kerk plezier. Achter de rug van de priester zaten de misdienaars te geinen, rinkelden eens op het verkeerde moment met de belletjes. Als ik dan toch in de kerk zat, dan liever op het toneel.

Met wat vriendinnen togen we naar meneer pastoor. Of wij meisjes ook misdienaar mochten worden. Ons verzoek werd niet gezien als blijk van katholiek engagement. Overigens ook niet als een ontsnapping aan verveling. Het mocht niet dus gebeurde het niet. (Iets wat de samenleving tekende: gewoonten en gebruiken bepaalden wat kon.)

Het waren de dagen dat bisschop Gijsen zijn restauratie was begonnen. Tot eind jaren zestig was de meest katholieke provincie met totalitaire hand door de kerk bestierd, daarna brak een korte periode aan waarin priesters spijkerbroeken droegen en geloofsartikelen werden betwist. Maar onder Gijsen moest midden jaren zeventig de geest weer in de fles. Voor meisjes, zei meneer pastoor, was binnen de kerk geen rol. Het motiveerde ons er zelf iets van te maken.

Scène 3 Een brutaal meisje

Ik was negen en kwam thuis met een rapport dat ik niet helemaal begreep. Met de cijfers was niets mis, er stond een woord dat ik niet kende: ‘vrijpostig’. Ik vroeg mijn vader wat dat betekende. Dat ik ‘brutaal’ was geweest.

Ik schaamde me. Brutaal zijn is fout, en lelijk. Dit betekende dat ik slechtgemanierd was, daar zouden ook mijn ouders zich voor generen.

Tot ik een kwart eeuw later nog eens aan dat rapport dacht. Brutaal of vrijpostig waren niet de goede woorden geweest om dat meisje van negen te typeren. Ze had minder ontzag voor autoriteit gehad dan in Zuid-Limburg gewoon was.

Angst voor de macht was een van de pijlers van de Mijnstreek. De opkomst van de mijnen had in de jaren twintig sociale onrust gebracht. Uit alle windstreken waren arbeiders toegestroomd. Die namen soms een ander geloof, soms hamer & sikkel, vaak drankzucht en losse zeden mee. Door woningnood werden ‘kostgangers’ massaal bij mijnwerkers ondergebracht. Die deelden het bed ook wel met de vrouw des huizes.

Onder regie van de Roomse Kerk werd de streek onder controle gebracht. Een kerkelijke woningcorporatie bouwde huizen voor mijnwerkers. Huur werd ingehouden op het salaris en wie zijn baan verloor, was ook zijn huis kwijt – bij blijk van rode sympathieën of gespijbel in de kerk, volgde ontslag. (Om aan een baan te komen, moest je bij meneer pastoor langs.) Woninginspectrices kwamen langs om te zien of de woning proper was, het huishoudboekje op orde en of jongens en meisjes apart sliepen.

De totalitaire controle van mijn, kerk en staat werkte door tot in de volgende generatie. In de Mijnstreek keek men naar boven om te horen wat te doen. Ook na de sluiting van de mijnen stond hier geen bonus op ambitie en eigenzinnigheid.

Scène 4 Tussen de spuiten

Veertien was ik, toen ik van mijn vader een boek kreeg waarop een meisje van mijn leeftijd me aankeek. Mooie grote ballerina-ogen en sexy lippen, haar portret was grofgekorreld zwart in een paars-blauw-groene waas. Het was Verslag van een junkie van Christiane F.

Wanneer ik met vriendinnen in Heerlen ging winkelen, drinken en dansen, laveerden we tussen de spuiten door. Waar eind jaren vijftig bontjassen hadden geparadeerd, foerageerden heroïnejunks. De welvaart die Joop den Uyl de Mijnstreek had beloofd toen hij in 1965 de mijnsluiting aankondigde, was uitgebleven. Het tegendeel werd waar: geen stad viel zo snel zo diep als Heerlen; de rijkste stad van Nederland werd in tien jaar tijd een failliete en verloederde drugshub. De kompels verloren meer dan hun baan: met de zware industrie raakten ze identiteit en waardigheid kwijt. Trotse macho’s werden losers. Mijn vader gaf me Christiane F. te lezen uit angst op een dag zijn dochter uit de goot te moeten oprapen.

Wie opgroeide in de Mijnstreek kreeg als vanzelf belangrijke levenslessen mee. Geloof de autoriteiten niet meer, ze verraden je zo gemakkelijk als ze je paaien. De toekomst is onzeker en het verval nabij. De zoon van onze huisarts ging kapot aan de heroïne: dat ik niet dacht dat nette mensen als wij altijd aan de vernieling ontsnapten.

Het maakte mensen voorzichtig. Kiezend voor behoud van wat er nog was. Geen onnodig risico nemen, het leven had van zichzelf al onzekerheid genoeg. Wie wat kon of wilde, trok noordwaarts, de rivieren over. Ik werd deel van de braindrain die mijn geboortegrond in bloedarmoede achterliet.

Scène 5 Vallende schoorstenen

Als scholier waren er dagen dat ik de horizon voor mijn neus zag veranderen – Lange Jan en Lange Lies, schoorstenen die 155 meter hoog als totempalen boven heuvels en kerken uit torenden, werden met springstof neergehaald. Het landschap waar ik doorheen fietste, was gehavend als na een verloren slag.

Pas later in Afrika, toen ik verhalen maakte over de kopermijnen in Zambia en Congo’s bodemschatten, realiseerde ik me hoe weinig ik wist van de mijnbouw onder mijn geboortegrond. Ik was er naar school gegaan, had er gestudeerd – nooit iets geleerd over steenkoolindustrie.

Alles wat aan de mijnen herinnerde, was weggevaagd. Met een laag aarde bedekt om er nooit meer over te praten.

De ingenieurs en directeuren waren terug naar Delft gegaan. De mijnwerkers zaten thuis, in schaamte over hun vernedering.

De omvang van de mijnstreek, de economische betekenis voor Nederland, de allesbepalende transformatie die land en volk naar de mijnen had gevormd, het technisch vernuft én het aantal offers dat is gebracht – knap hoe zo’n grootse geschiedenis kon worden opgeborgen.