Zo’n lustpil is juist goed

Addyi, de lustpil voor vrouwen, is een symptoom van verbeterende seksuele verhoudingen tussen vrouw en man, vindt Walt van der Linden. Hij reageert op een felle aanklacht op dit omstreden middel, dat in de Verenigde Staten net op de markt is gebracht.

Speelt de producent van Addyi in op het vooroordeel dat vrouwen altijd een lager libido hebben dan mannen? Walt van der Linden zou simpelweg niet weten hoe.

Afgelopen vrijdag publiceerde NRC een stuk van schrijfster Alma Mathijsen, die een negatief oordeel velt over het medicijn Addyi, een libidostimulerend middel voor vrouwen. Het slaat de plank volledig mis. Mathijsen ziet de vrouwelijke lustpil als ‘symptoombestrijding’, terwijl deze juist een symptoom is van het feit dat maatschappelijke opvattingen over de vrouwelijke seksualiteit op een positieve manier aan het veranderen zijn.

Eerst maar even een feitelijke onjuistheid. Mathijsen trekt de vergelijking met Viagra, die zij abusievelijk ‘de lustpil voor mannen’ noemt. Viagra, evenals vergelijkbare medicijnen als Cialis en Levitra, worden voorgeschreven aan mannen met erectiestoornissen en hebben een stimulerend effect op de bloedsomloop in de penis. Deze middelen verhogen het libido niet, zijn daar ook niet voor bedoeld, en zijn dus niet te vergelijken met Addyi, dat receptoren in het brein beïnvloedt om zo voor een (minieme) verhoging van het vrouwelijk libido te zorgen. Dit verschil is belangrijk, omdat Mathijsens argumentatie gebaseerd is op culturele opvattingen over de mannelijke en vrouwelijke seksualiteit.

Addyi zou ‘symptoombestrijding’ zijn, waarbij de ‘oorzaak’ dan, als ik haar goed begrijp, de problematisering van en vooroordelen over de vrouwelijke seksualiteit zouden zijn. Vrouwen, zo betoogt Mathijsen, zouden zich volgens de heersende moraal niet promiscue mogen gedragen en zouden minder in seks geïnteresseerd zijn en/of mogen zijn dan mannen. Een contrast dat het onderwerp is van onder meer Sletvrees van Sunny Bergman en zich laat samenvatten als: „Als een man veel neukt is hij stoer, maar een vrouw is een hoer”. Mathijsen weet de culturele opvattingen over vrouwelijke seksualiteit treffend te illustreren met een aantal aansprekende persoonlijke voorbeelden. Maar deze analyse brengt haar er vervolgens toe om onterecht een negatief oordeel te vellen over Addyi.

‘De producent speelt in op de veronderstelling dat vrouwen minder graag seks willen dan mannen’, schrijft ze. ‘Maar moeten we niet eerst beter naar onszelf kijken voordat we een probleem oplossen met een pil?’

Hoewel er uiteraard aanzienlijke variatie bestaat, is het wel degelijk zo dat mannen gemiddeld genomen een (veel) hoger libido hebben dan vrouwen. Talloze wetenschappelijke studies hebben dit aangetoond. Het is dan ook onjuist dit als een ‘veronderstelling’ te kwalificeren. Het zou echter een tikkeltje flauw zijn haar argument om die reden weg te wuiven, want het vooroordeel dat iedere vrouw een libido heeft dat lager ligt dan dat van de man leeft, waarschijnlijk, wel degelijk.

Maar dat de producent daar dan ‘op inspeelt’? Ik zou simpelweg niet weten hoe. Een vrouw wordt immers niet met Hypoactive Sexual Desire Disorder gediagnosticeerd op basis van het vooroordeel dat zij een lager libido heeft. Een vrouw moet zelf laten weten daar over een langere periode stress door te ondervinden.

Het is een veelgehoorde opvatting over producenten van geneesmiddelen: die zouden alles wat afwijkt van de norm problematiseren, zodat er vervolgens miljarden kunnen worden verdiend aan een oplossing voor het zelf gecreëerde probleem. We zien dit argument bijvoorbeeld terug bij de discussie over de diagnose en behandeling van kinderen met ADHD.

Maar anders dan een kind is een vrouw zelf in staat de conclusie te trekken dat zij een probleem heeft om vervolgens een arts te raadplegen. Het is dus zeer de vraag of dat argument hier opgeld doet. Geen arts die een vrouw naar haar seksleven zal vragen, vervolgens de kwantiteit van haar bevredigende seksuele ervaringen als ontoereikend zal kwalificeren, om haar daarna Addyi voor te schrijven. Evenmin zal een recept worden verstrekt omdat haar partner klaagt dat zij nooit zin heeft. Uiteraard is het mogelijk dat de vrouw een probleem tot op zekere hoogte krijgt ‘aangepraat’, maar laten we toch vooral vertrouwen hebben in haar vermogen zelf over haar seksualiteit te oordelen. Mathijsen schrijft dat Addyi ‘de echtelijke trouw dient’. Zij gaat er dus vanuit dat geneesmiddelenproducenten, artsen en echtgenoten een oordeel over het vrouwelijk libido vellen. In werkelijkheid is het juist de vrouw die daar nu het mandaat voor krijgt. Dat kan in een relatie of huwelijk, maar uiteraard ook prima als single. Laten we dit als vooruitgang beschouwen.

In die zin is de vrouwelijke lustpil niet alleen een oplossing voor een medisch probleem; het is ook in maatschappelijk opzicht een belangrijke stap richting het gelijktrekken van de seksuele verhoudingen tussen man en vrouw. De lustpil is een erkenning van het feit dat een gezond seksleven óók voor vrouwen van belang is, dat zij stress ervaren wanneer dit in hun leven ontbreekt, en dat het noodzakelijk is hun een medische oplossing te bieden wanneer zij dit zelf wensen. Addyi is geen symptoom van ongelijke seksuele verhoudingen, integendeel; het is juist een symptoom van de inhaalslag die vrouwen op dit gebied aan het maken zijn.